Hittegolfkoken: salade van watermeloen, feta, munt en olijven

Hittegolfkoken: salade van watermeloen, feta, munt en olijven

Slapen jullie ook zo slecht? Fieuw zeg. Ik ben twee dagen geleden op de valreep naar de winkel gespurt voor een ventilator, want het was niet meer te doen in huis, alle gevelisolatie ten spijt. Heerlijk briesje naast het bed, helaas was het voor onze net-niet-tweejarige dochter óók veel te heet de voorbije nachten. Maar we houden de moed erin, want de temperaturen gaan morgen beginnen zakken! (slaakt diepe zucht). Voor het zover is, nog een verfrissend hittegolf recept, waarvoor je geen vuur of oven nodig hebt en dat in een handomdraai klaar is – ahja, want fut om iets ingewikkeld in elkaar te draaien hebben we ook niet meer. Ik geef u: watermeloen-feta-munt-olijven salade.

salade van watermeloen, feta, munt en olijven

Ik vond dit recept voor het eerst bij Nigella Lawson, als ik me goed herinner. Het is ideaal in de zomer, want watermeloen is zowel eten als drinken. Je kan ook lekker variëren: de olijven weglaten voor wie dat niet lust, rucola toevoegen voor wie wat meer groen wilt. Watermeloen-feta-munt is wel de verfrissende ruggengraat van het recept die je best behoudt, al zou je het ook kunnen veganizen met feta van Violife.

Nigella is ook degene die me de truc met het limoensap leerde. Als je de ajuinringen minstens een half uur laat weken in limoensap (werkt wellicht ook met citroen) dan worden ze mooi felroze maar ook zachter en beter verteerbaar. Ik ben zo iemand die rauwe ajuin meestal uit Griekse salade vist of kebabventers op het hart drukt om geen ajuin in mijn broodje te doen omdat het op mijn maag blijft liggen (en omdat ik een ajuin-en-komkommer trauma heb van de laatste trimester zwangerschap, dat ook). Maar met deze truc lust ik het wel! Slim, toch?
(kleine disclaimer: op de foto is de limoen nog niet geweekt)

Ingrediënten voor een salade voor 3-4 personen, als lunch of als bijgerecht:

een rode ui
het sap van een limoen
een halve tot drie kwart kleine watermeloen
een twintigtal zwarte Kalamata olijven (de lekkerste die je kan vinden, ik ben fan van Père Olive. Olijven uit blik zijn hiervoor eigenlijk niet zo’n ideale keuze)
een half pakje feta
de blaadjes van enkele takjes munt
optioneel: rucola
peper en zout

Bereiding:

Snijd de ui in fijne ringen. Doe in een kommetje en besprenkel met het limoensap. Laat minstens een half uur weken.
Snijd de watermeloen in blokjes van 2-3 cm. Doe in een saladeschaal, schep er de olijven en de ajuinringen en eventueel de rucola door. Verkruimel de feta boven de salade en strooi er de muntblaadjes over. Breng op smaak met wat van het limoensap en eventueel wat peper. De feta en olijven zorgen al voor een zoute toets, dus check zeker eerst voor je er nog zout over strooit. Hydrateren maar!

Hittegolfkoken: gember-hibiscus ice tea

Hittegolfkoken: gember-hibiscus ice tea

Het is zover, de eerste echte hittegolf van 2020 is bezig. Wij blijven (alweer) in ons langzaam opwarmend kot en proberen vooral geen extra warmte op te wekken. Ik ging op zoek naar de recepten die mij verfrissen en weinig tot geen vuur of (heavens forbid) ovens nodig hebben. Vandaag: gember-hibiscus ice tea

Hibiscus gember ice tea

Drie jaar van mijn leven, van mijn derde tot en met mijn vijfde middelbaar, bracht ik door in de Verenigde Staten. Op restaurant kan je daar, naast koud water à volonté, ook bijna overal ice tea van het huis krijgen. Hoe verder je er naar het zuiden gaat, hoe meer kans dat de standaard versie van die ice tea gezoet is (en hoe meer naar het zuiden, hoe zoeter). Zelfs de hyper-intramobiele US of A is dus geen culinaire monocultuur. Aan de oostkust althans, van de westkust kan ik niet meespreken. Bij de ongezoete versie krijg je een kommetje met verschillende soorten suiker en roze zakjes zoetmiddel, ook al is ijskoude ice tea zoeten met gewone suiker geen sinecure. Bij vrienden stonden er ook vaak kannen met zelfgemaakte ice tea in de koelkast waar je naar believen van mocht uitschenken. Want Amerikanen vinden het totaal niet raar als je hun frigo opentrekt als huisgast.

Dat die huisgemaakte ice tea stilaan de oversteek naar het Europese continent heeft gemaakt, kan ik alleen maar toejuichen. Tegenwoordig heeft elke zichzelf respecterende hippe koffie-, cocktail- of zomerbar een huisgemaakte ice tea, die meestal al uitverkocht is als jij hem wilt bestellen. Wie liever in zijn kot blijft of ’s nachts verfrissing zoekt in de koelkast kan het ook makkelijk zelf maken! Het recept is helaas niet helemaal zonder warmte: het water voor de thee moet je eerst opwarmen (tenzij je thee ook koud kan brouwen, iemand al geprobeerd?) en dan weer laten afkoelen. Als je een waterkoker hebt, is dit het moment om die boven te halen, want zo maak je waarschijnlijk het minste extra warmte. Ik maak de ice tea ’s avonds laat en laat hem dan buiten de koelkast afkoelen om er ’s morgens in te zetten.

Jardin Anglais, heerlijk als ijsthee met een paar takjes munt

Je kan ice tea van zowat elke thee maken. De klassieker is de Lipton black tea en die is prima (zelf drink ik die het liefst met een tikkeltje suiker). Ik maak vaak ijsthee van de Palais des Thés English Garden, al dan niet met een paar takjes munt en schijfje citroen erbij voor extra frisheid. Het recept hieronder komt uit The New Classics van Martha Stewart, dé Amerikaanse keukenprinses. Ik doe er minder suiker in en laat het citroensap weg. Elke hibiscusthee is prima, ik gebruik de hibiscus & orange thee van Shotimaa, te vinden bij Bio Planet. Naast hibiscus en sinaasappel zit daar ook citroengras, rozebottel, peper, zoethout, karadamom, kaneel, gember en kruidnagel in. Geen caffeïne dus, een voordeel als je dit ’s avonds wilt drinken (nadat ik een keer wakker lag na vier glazen ijsthee op café, let ik daar wat op.)

Ingrediënten voor anderhalve liter thee

– 4 zakjes hibiscus/rozebottelthee
– gember: 2 tot 5 cm of meer, afhankelijk van hoe spicy het mag zijn
– suiker: 4 eetlepels (of een ander zoetmiddel zoals honing, agave…)
– anderhalve liter water + enkele eetlepels
– enkele eetlepels citroensap (optioneel)

Bereiding:

Breng het water aan de kook met de suiker in een (afgedekte) kookpot. Snijd intussen de gember in kleine blokjes, schillen hoeft eigenlijk niet (maar het mag). Doe de gember bij het water. Roer even om de suiker op te lossen. Als het water kookt, zet je het af en voeg je de theezakjes erbij. Laat minstens 15 minuten trekken. Proef dan of je er eventueel meer suiker in wilt. Ik laat de theezakjes en gember er gewoon de hele nacht in, of totdat het is afgekoeld en ik het overgiet in een karaf. Als het op kamertemperatuur is, voeg je eventueel de citroen toe en zet je het in de koelkast. Serveren met een ijsblokje en schijfje citroen.

Hittegolfkoken: Salmorejo

Hittegolfkoken: Salmorejo

Het is zover, de eerste echte hittegolf van 2020 is hier. Wij blijven (alweer) in ons langzaam opwarmend kot (leve gevelisolatie) en proberen vooral geen extra warmte op te wekken. Ik ging op zoek naar de recepten die mij verfrissen en weinig tot geen vuur of (heavens forbid) ovens nodig hebben. Vandaag: salmorejo cordobés, oftewel koude tomatensoep.

Salmorejo cordobés: heerlijk in zijn romige eenvoud

Veel mensen hebben leren koken op kot. Ik heb leren koken op Erasmus, weg van de vele engagementen en vriendschappen die bij de Alma Mater mijn tijd zodanig opvulden dat er niet veel meer in huis kwam van koken dan een potje spaghettisaus opentrekken. Op de derde verdieping van La Correduría, het studentenhuis waar ik een semester in Sevilla vertoefde, probeerde ik lekkernijen uit de Andalusische keuken na te maken.

Salmorejo was een revelatie toen ik het voor het eerst proefde. Gazpacho – Spaanse koude soep – had al enkele decennia de Europese grenzen overgestoken en was me welbekend. Tot voor mijn Erasmus was ik echter een koele minnaar van koude groentensoepjes (pun intended). In Sevilla, bakermat van de tapas, kan je perfect nieuwigheden in kleine porties uitproberen, dus proefde ik er de ‘salmorejo cordobés’ (uit Cordoba). Een romige, koude heerlijkheid die smelt op de tong en verfrist bij Sevillaanse temperaturen. Zalig! Sindsdien ga ik ook in Belgische zomertijd met tomaten en stokbrood aan de slag. Ogen toe en je zit meteen op een felgekleurd Andalusisch terrasje te bakken… hashtag reizen-in-de-groene-zone-in-je-hoofd.

Ik ben normaal een grote Jeroen Meus fan – de website van Dagelijkse Kost is mijn go to voor alle klassiekers – maar bij zijn salmorejo recept slaat hij de bal mis: er hoort echt geen paprika, rode peper of tomatenpuree in een salmorejo. Sorry, Jeroen. Doe met gazpacho wat je wilt maar de eenvoud van de salmorejo is net zijn sterkte. Er zijn massa’s recepten te vinden online, ik vertrok van dit recept van de abuela (kan nooit slecht zijn). Het geheime ingrediënt van salmorejo is goede (extra vierge) olijfolie. Die voeg je toe totdat de smaken in elkaar overlopen en het een heel klein tikkeltje bitter afsmaakt.

De blender, uw vriend.

De tomaten moeten vers en echt lekker rijp zijn, probeer dit niet met wintertomaten (salmorejo smaakt toch niet bij koude temperaturen). Je kan ze makkelijk ontvellen door een kruisje onderaan te maken met een mes en 1 minuut te laten koken in kokend water (uithalen met een schuimspaan en laten afkoelen in koud water). Ik ontvel ze zelf meestal niet, want dat produceert weer warmte in de keuken die je kan missen in een hittegolf, en met een krachtige blender is mixen geen probleem. Dit soepje is ook ideaal restjeskoken, het wordt namelijk gemaakt met oud (Frans) brood. In Spanje eten ze het met geplette hardgekookte eitjes en spekjes, maar dat hoeft er zelfs niet bij, vind ik.

Ingrediënten voor een ongeveer anderhalve liter soep

  • 8 rijpe trostomaten, al dan niet van hun vel ontdaan
  • 1/2 grote baguette, minstens een dag oud (wit brood kan ook)
  • 1 à 3 teentjes knoflook (kies zelf hoe hard je wilt stinken)
  • minimum 100 ml olijfolie
  • 1 eetlepel (of goeie scheut) sherry- of witte wijnazijn
  • zout
  • een krachtige blender of staafmixer

Bereiding:

De meeste salmorejo recepten beginnen met het weken van het brood in water, maar het vocht uit de tomaten kan ook perfect hiervoor dienen. Snij de tomaten in stukken en laat samen met het brood in een kom trekken voor minstens een half uur. Het brood moet zacht worden. Eigenlijk kan je deze stap zelfs overslaan, maar dat bemoeilijkt het blenderen wel. Doe brood met tomaten in de blender en mix fijn. Voeg knoflook en sherry/wijnazijn toe, mix opnieuw. Voeg nu een snuifje zout en de olijfolie toe, en blijf olie toevoegen tot de salmorejo goed afsmaakt. Breng eventueel op smaak met meer zout of wijnazijn.
Laat koud worden in de koelkast, kook eventueel een eitje hard voor erbij. Heerlijk om op te dippen met een stuk goed brood tijdens een hittegolf.

Excuses voor de beperkte foto’s. Het gerecht is zo snel klaar dat ik vergat foto’s te nemen en zo lekker dat ik, eh, niet veel foto’s nam. Maak het maar gewoon, dan zal je zien wat ik bedoel.

Over borstvoeding (oh no she didn’t)

Over borstvoeding (oh no she didn’t)

“En wanneer gaat u stoppen met borstvoeding?”

Ik had niet verbaasd mogen zijn met deze vraag, want zo veel vrouwen kregen ze al voor mij. Ik had net aan de specialist van het universitair ziekenhuis waar ik op consultatie was uitgelegd, naar adem happend achter mijn mondmasker, dat ik al bijna vijf jaar borstvoeding geef, gezien me dat relevant leek voor het probleem dat me daar had gebracht en nuttige informatie voor de eventuele behandeling.

Maar ik was het dus toch. Verbaasd. In tegenstelling tot vele vrouwen voor mij heb ik eigenlijk zelden negatieve opmerkingen gekregen over borstvoeding. Mijn partner, familie, vriendenkring, werkgever: ze kennen mij wellicht allemaal goed genoeg om te weten dat ik mijn eigen keuzes maak en daar geen commentaar op nodig heb. Net als bij de melkmuil van een dochter verraadt mijn gezichtsexpressie meestal ook exact wat ik denk, en als ik zo een ongepaste opmerking krijg staat de expressiemeter meestal op “say what? You kidding me?”. Misschien was het mondmasker en het daaruitvolgende gebrek aan expressie de boosdoener.

“Euhm, dat weet ik niet. Wanneer mijn dochter dat wilt?” hoorde ik mezelf stamelen. De professionele doch uiterst verbaasde houding van de dokter deed me vermoeden dat ze zelf nog niet aan kinderen was begonnen en niks wilde suggereren met de vraag. Haar verdere vragen deden me ook vermoeden dat ze dacht dat dochterlief net als een pasgeboren baby van ’s morgens tot ’s avonds aan de borst wilt hangen. Ik ging buiten met het akelige gevoel dat zij en haar stagiaire elkaar zouden aankijken en “wat. was. dat?” zeggen.

Waarom voel ik de behoefte om hierover te schrijven? Het is deze week Internationale Week van de Borstvoeding, mijn vijfde op rij al. De arts in kwestie was zich ongetwijfeld niet van de ironie bewust dat haar ziekenhuis daar steevast campagne rond voert. En dat het thema van dit jaar ‘steun van de omgeving en zorgprofessionals’ is. Die bewuste vraag niet (zo) stellen als zorgverlener hoort daar wat mij betreft bij.

Lang voeden (blijven borstvoeden nadat je baby geen baby meer is) is een taboe, en begrijpelijk. Het is quasi onzichtbaar en de meeste vrouwen die hun baby langer dan een jaar voeden lopen er niet mee te koop, omdat het raar is en soms een beetje schaamtelijk. En ja, ook wel eens gênant, als de peuter zo nodig in het openbaar wilt drinken maar geen flauw idee heeft dat blote borsten geacht worden bedekt te zijn in de open ruimte, net als je mond en neus op het openbaar vervoer tegenwoordig. Ik moet eerlijk bekennen dat ik het zelf ook een heel raar idee vond voor ik er aan begonnen was. Ik vond het zelfs raar wanneer ik voor dit bericht naar foto’s aan het zoeken was om er eentje tegen te komen met mijn driejarige.

Het was nochtans geen bewuste keuze, bij mij. Net als zo veel moeders begon ik eraan ‘op hoop van zege’, en ‘we zien wel’. De eerste maanden waren bij beide baby’s sukkelachtig. Spruw, syndroom van Raynaud, overproductie (Chinees voor wie nog nooit borstvoeding gaf en hopelijk niet herkenbaar als je het wel deed), smakkende baby’s, vrezen voor koemelkallergie… Met vallen en opstaan en steun van een geweldige lactatiekundige én de omgeving, die me nooit heeft ontmoedigd. Ik wens het iedereen toe, die steun.

En dan komt plots die dag dat het vanzelf gaat en je denkt “hé, dit is handig!”. En dat blijft zo, tot op het moment dat je je geneert om het in het openbaar te doen, tenminste (gelukkig hebben mijn peuters nooit veel interesse gehad in de borst buitenshuis, dus dat taboe kunnen we al overslaan). De band die je ermee opbouwt en die rust momentjes zijn zo heerlijk, dus waarom ook stoppen? Ik ben een langvoedster by chance, not by choice. Zo zie ik het tenminste. Stoppen doen we wel als het weer onhandig wordt, of niet meer leuk.

Hierover schrijven ligt een eindje buiten mijn comfortzone (en dan hebben we het nog niet eens over tandemvoeden gehad, kuch). Maar ik doe het deze keer toch. Omdat er nog steeds te veel vrouwen de vraag krijgen “wanneer ze gaan stoppen” (ja, ook op 3 maanden) terwijl dat gewoon geen vraag zou moeten zijn. Omdat iemand me eens vertelde dat ze een positief beeld kreeg van borstvoeding toen ik er iets over gepost had en ik daar helemaal warm van werd. Omdat er veel meer langvoedende mama’s zijn dan je zou denken, die het veelal binnenskamers doen. Keep rocking the milk, mama’s, en laat niemands oordeel aan je hart komen.

P.S. Dit bericht is er om te spreken uit mijn eigen ervaring, en die van mij alleen. Ik weet dat niet iedereen borstvoeding wilt geven, of dat het niet bij iedereen gelukt is zoals ze wilden, of dat ze vroeger moesten stoppen dan ze wilden. Of dat ze gewoon geen zin hadden om het langer dan 3 maanden te rekken. Dat is helemaal oké (of jammer, als je dat jammer vindt, en dan hoop ik dat je er vrede mee kan vinden). Flesvoeding is ook voeding en moederliefde is moederliefde.

Eén jaar met de Tern GSD

Eén jaar met de Tern GSD

Vandaag zijn we één jaar trotse eigenaars van de Tern GSD, de felblauwe longtailfiets die ons al massa’s rijplezier bezorgd heeft. Omdat ik er regelmatig vragen over krijg en anderen de elektrische-cargofiets experience alleen maar kan aanraden, schreef ik ter ere van die eerste verjaardag onze ervaringen neer.

Tern GSD
Fun achterop de Tern GSD

Sinds een jaar of twee is het aantal longtailfietsen in Brussel geëxplodeerd. In het begin een curiositeit, nu gaat er geen dag voorbij of ik zie er eentje passeren in onze straat of onderweg. Bij de ouders van onze (kleine) kleuterschool zijn er – uit het blote hoofd – minstens 5 (hier stond eigenlijk 4, maar vanmorgen spotte ik nog een ouder met een gloednieuw ogende bike43!). Als je ermee parkeert aan de school of crèche word je vaak bevraagd, nog vaker door ouders die zelf overwegen om er eentje aan te schaffen. Het is dan ook een ideaal “middenklasse” voertuig voor (milieubewuste) Brusselse stadsbewoners met 1 of 2 kinderen die veel van hun verplaatsingen op twee wielen willen doen. Ik zeg “middenklasse”, want hoewel het natuurlijk een pak goedkoper is dan een auto, is het toch een stevige investering. Wij deden wat rekenwerk en kozen voor een fietslening, waarvan de rente bij aankoop zodanig laag stond dat het eigenlijk niet uitmaakte of we het bedrag onmiddellijk zouden leggen of op maandelijkse afbetaling. Intussen zijn er ook wel wat goedkopere modellen op de markt, en wie weet ontstaat er ook stilletjes aan een (legitieme) tweedehandsmarkt?

Mijn oog viel op de Tern GSD ergens begin 2019. Ik had al gehoord van de bike43, een Brusselse creatie, en vond het idee van zo’n fiets erg interessant. Toen kocht een kennis een Tern GSD om haar kind mee te vervoeren en vertelde er enthousiast over op Facebook. Ik begon over de fiets te lezen en op te zoeken. De specs en snufjes zijn impressionant. De belangrijkste eigenschap is uiteraard dat hij twee kinderen op het bagagerek kan dragen (of een volwassene!), maar eigenlijk is het een echte cargofiets, zonder ‘bak’. Hij kan tot 200 kg dragen, wat hem volgens de fans/marketeers een bestelwagen op twee wielen maakt.

Het zadel gaat heel makkelijk op en neer, heeft slimme maatstreepjes en een handvat onderaan om op te tillen dat echt handig is. De fiets kan ook rechtstaan op z’n bagagedrager, wat hem ideaal maakt om op kleine plekjes op te bergen of zelfs in een lift mee te nemen. Het stuur kan inklappen, wat hem vervoerbaar zou maken in een monovolume auto (nog niet getest, wegens niet in bezit van een monovolume :-)). En dat alles in een fiets die maar 2 meter lang is – zo lang als een doorsnee stadsfiets dus.

Tern GSD
De eerlijkheid gebiedt me erbij te zeggen dat je de fiets eigenlijk niet mag loslaten als de kinderen erop zitten. Dus: don’t try this at home.

Ik heb geen uitgebreide vergelijking gedaan tussen alle merken en modellen, maar wel een GSD getest alvorens de knoop door te hakken. Dat mocht van de kennis die hem had, en dat vond ik zo prettig dat ik ook al meerdere mensen heb laten testen. Je wordt vanzelf een ambassadeur van het merk. Het element dat voor ons de doorslag gaf was het rechtop zetten: ten tijde van de aanschaf hadden we nog geen plaats in een velobox en onze inkom is maar heel kort voordat de trap begint, de fiets kan er zelfs niet in de lengte staan. Maar hij paste wel perfect tussen de deur en trap, tegen de muur. De stoeltjes konden we ernaast ophangen aan enkele kapstokken van de Brico. Het wiel maakten we vast met een extra fietsslot, vooral tegen het omvallen, mocht er toch eens een kind aan gaan hangen.

Tern GSD rechtstaand opbergen
Ingeklapt en rechtstaand is de GSD ongeveer de grootte van een volwassen persoon

De setup dan. Ook daar kan je massa’s kanten uit. De GSD is gemaakt om te passen met de bagagedrager stoeltjes van Yepp, geen extra adapters nodig. Je kan er een voor-bagagedrager aan toevoegen, die net zo groot is als een euronorm 40 x 30 cm (lees: een bak bier). Han-dig, dat ding (behalve soms om te parkeren op een smal plekje. Maar ach.) Dat voorste rek fungeert in mijn ogen ook een beetje als stootkussen naar auto’s toe. Het is zwart en chunky en volgens mij intimideert het daarbij al te voortvarende chauffeurs ook een beetje om mij toch wat meer plaats te gunnen, want van dat rek wil je geen kras op je ziel, eh, blinkende bolide.

Achteraan kozen we voor een Yepp Maxxi stoeltje voor de jongste (toen bijna 1 jaar, nu bijna 2) en een Yepp Junior stoeltje voor de oudste (toen 3,5). De oudste kan weliswaar ook nog in de Maxxi en zit daar ook graag in, want iets meer comfort. Je kan ook met oudere kinderen voor de Clubhouse gaan, maar dat leek me persoonlijk minder handig omdat je dan minder kanten uit kan met je bagagedrager. De stoeltjes zijn er immers op en af binnen de minuut. En als de kinderen groot zijn kan je je bagagedrager ook nog verbouwen tot een groot cargorek. De gigantische grijze tassen krijg je bij de fiets, en ook die zijn zo slim ontworpen dat ze zowel massa’s boodschappen kunnen bevatten als heel klein opgevouwen worden.

Uitstapjes naar de speeltuin

Stevige beveiliging en een goede diefstalverzekering zijn helaas geen overbodige luxe, want evenredig met het aantal elektrische fietsen in Brussel stijgt ogenschijnlijk ook de diefstal ervan. We startten met een Abus Bordo slot en lieten een extra hoefijzerslot op het voorwiel plaatsen. We namen ook een diefstalverzekering met alles erop en eraan via de fietshandelaar. Geen overbodige luxe, zo bleek. Op een donkere novemberdag kwam ik om 17u12 buiten van mijn werk en was de fiets weg, het slot doorgezaagd. Op quasi klaarlichte dag, in koelen bloede gepikt. We kregen het volledige bedrag terug van de verzekering, maar je moet dan ook een nieuwe verzekering kopen, en de fiets was intussen duurder geworden, dus dat bedrag moesten we bijleggen. En je bent weer een halve dag kwijt met aangifte bij de politie, nieuwe fiets bestellen en ophalen, enz. enz.

Gone, baby gone: een illusie armer over de veiligheid van fietssloten…

Ik ben sindsdien ook een tikkeltje paranoïde geworden wat de beveiliging betreft en heb twee verschillende soorten sloten aangeschaft: een U-slot met ART 4 (ART is eens soort onafhankelijke beveiligsclassificatie voor fiets- en brommersloten) én een ABUS Bordo Alarm slot – met een bewegingssensor die begint te loeien als een alarm als iemand eraan komt. Bovendien is de fiets met een sticker geregistreerd via mybike.brussels en neem ik de batterij er vaker af als ik hem langer laten buiten staan, of in het donker ergens parkeer… Is dat waterdicht? Waarschijnlijk niet, maar het feit dat je 3 buizen moet doorslijpen én het alarm (heel hard) afgaat maakt onze fiets toch weer een pak minder aantrekkelijk voor een dief, hoop ik dan maar.

Een paar maanden na de aanschaf ontdekte ik dat er een levendige Facebookgroep (‘The Tern GSD’) gewijd is aan de fiets. Mensen van over de hele wereld delen er hun tips en tricks, weetjes, advies en geestige foto’s van de ladingen die ze met hun GSD vervoeren. Ik moet toegeven dat ik ook wel eens trots een foto deel wanneer ik een volledige Colruyt winkelkar op de fiets heb gestouwd :-) Wie een aankoop overweegt, kan er altijd zijn licht eens gaan opsteken.


De fiets heeft ons verplaatsingsgedrag toch nog een stuk getransformeerd. We hadden al Cambio ipv een eigen wagen, dan worden je autoverplaatsingen sowieso een meer bewuste afweging. Maar sinds ik elektrisch rijd, vervang ik veel vaker een rit met het openbaar vervoer doorheen Brussel door een fietstocht. Het is zo heerlijk om trapondersteuning te hebben op de Brusselse heuvels en je zo op het verkeer te kunnen concentreren in plaats van de berg die je opgaat. Toch word je er niet lui van, je kan zelf bepalen hoeveel ondersteuning je krijgt en ik voel het wel als ik een aardig stukje geklommen heb.

Ik gebruikte de GSD ook al voor (werk)verplaatsingen in een 20-25 km radius van Brussel: Mechelen, Vilvoorde, Halle. Heerlijk fietsen langs jaagpaden en kanalen en uitgewaaid op de meeting aankomen in dezelfde tijd als de (totale) treinreis. Ik kijk er naar uit als de kinderen groter zijn en een uurtje achterop zitten niet meer te veel is voor de jongste, dan trappen we zo naar de familie in Mechelen! En dat voor iemand die eigenlijk niet eens echt graag fietst (toch niet recreatief).

Zijn er ook nadelen? Ja hoor. Het grootste nadeel van de Tern GSD, waarover iedereen het eens is, is de staander. Het model dat initieel werd meegeleverd was eigenlijk van slechte kwaliteit, waardoor het al na een paar weken niet meer vlotjes in- en uitklapte en bij heel wat mensen gewoon afbrak op een bepaald moment. Je kinderen of vracht op de fiets laten zonder dat je hem vasthoudt (wat sowieso door Tern sterk wordt afgeraden) was totaal uit den boze. De vervangstaander, een Ergotec, is een pak steviger, maar is zodanig stug in gebruik dat het erg lastig is om de staander op te heffen als je kinderen of boodschappen eenmaal op de fiets zitten (tip: gebruik de Walk functie van de batterij, als het toch moet). Als antwoord op deze problemen ontwikkelde Tern de Atlas staander, die helaas door corona vertraging opliep. Intussen wordt hij al verdeeld in verschillende werelddelen, dus ik ben erg benieuwd of wij binnenkort de mogelijkheid tot upgrade gaan krijgen.

Een ander – eerder klein – nadeel vind ik de kleine afmeting van de wielen, waardoor je meer rondtrekt. Komende van een heel grote Achielle stadsfiets voel ik dat verschil hard. In het begin heb je daardoor de neiging om de versnellingen op het hoogste te zetten, om toch meer weerstand te voelen. Door die kortere trapcirkel krijg ik bij lange ritten soms ook wat last van de bloedcirculatie in mijn benen (slapende tenen). Maar ik heb nog nooit iemand anders daarover weten klagen :-) Die kleine wielen zijn er overigens wel voor een reden: het lage zwaartepunt maakt de fiets heel erg stabiel, wat handig is als je zware ladingen vervoert. Bovendien zijn de dikke banden uitermate geschikt om de Brusselse tramsporen mee te navigeren – weer een fietsangst minder.

Alles bij elkaar genomen, zou ik onze GSD niet meer kunnen missen. Van de aankoop hebben we nog geen seconde spijt gehad, en het elektrisch rijden bevalt ons zodanig dat we op het punt staan om een tweede elektrische fiets aan te schaffen, om vlot met het hele gezin op uitstap te kunnen gaan.

Heb je nog vragen over de GSD, longtail fietsen, of waarom we sommige keuzes hebben gemaakt? Laat het mij weten in de comments!

Bezocht: Keith Haring @ Bozar

Bezocht: Keith Haring @ Bozar

Naar aanleiding van zijn dertigjarige heengaan is er dit jaar een grote Keith Haring retrospectieve in de Bozar. Ik had de tentoonstelling begin dit jaar aangekruist als ‘niet te missen’, en toen gingen de musea dicht voor het publiek op exact de dag dat ik van plan was om te gaan. Het was zo één van die dingen waar ik die eerste lockdown-weken dik van baalde, en me tegelijk schuldig voelde dat ik daar nu over zat te zagen terwijl er mensen veel ellendigere dingen meemaakten. Ik was dus verheugd toen ik vernam dat de expo verlengd werd tot 21 juli. Afgelopen vrijdag kreeg ik eindelijk de kans om een bezoekje te brengen.

Keith Haring Art is for everybody

En de tentoonstelling stelde niet teleur! Ik was erg onder de indruk van de werken en de rode draad in het leven van Keith Haring. Veel van zijn werk heeft een sociale, politieke en/of activistische kant. De actualiteit van zijn thema’s raakte me: hij streed voor inclusiviteit, diversiteit, gelijke rechten, tegen apartheid, atoomwapens en vooral: tegen onverschilligheid. Boodschappen en kunstwerken die een snaar raken nu de hele wereld betoogt voor Black Lives Matter, en ik me ook afvraag wat ik zelf kan doen om anti-racist te worden.

Keith Haring

Over de rassen segregatie zei Keith Haring: “In alle verhalen over blanke expansie, kolonisatie en overheersing is er voortdurend sprake van machtsmisbruik en mishandeling. Ik ben blij dat ik anders ben. Ik ben trots dat ik homo ben. Ik ben trots dat ik vrienden en minnaars van alle kleuren heb. Ik schaam me over mijn voorouders. Ik ben niet zoals zij.”

Als homo was hij actief in de gay rights beweging van de jaren 80. Hij stierf 30 jaar geleden aan de pandemie die toen (en nu nog steeds) vele mensenlevens acuut verwoestte: hiv. AIDS was in die tijd een doodvonnis, en een gigantisch taboe.

Bij één van de video’s die vertoond wordt zie je Haring die kunst maakt in de metro’s van New York City. Dat deed hij graag, omdat het kunst tot bij mensen bracht die nooit een museum of galerij zouden betreden, en omdat hij direct in dialoog kon gaan met zijn publiek. Een toeschouwer zegt: het kunstwerk vult een leemte in jezelf. Dat is exact wat deze tentoonstelling deed, 30 jaar later. Ik ben zo dankbaar dat ik ze nog kon zien.

De foto’s zijn enkele van mijn favoriete werken uit de tentoonstelling. Ze is nog tot 21 juli te bezichtigen in Bozar, je kan vooraf tickets kopen voor een bepaald tijdsslot.

Gevlochten aardbei-rabarbertaart

Gevlochten aardbei-rabarbertaart

Gevlochten aardbei-rabarbertaart

De lente is een heerlijk groente- en fruitseizoen. Ik schreef al hoe aardbeien en asperges mij door de coronacrisis helpen. Rabarber is nog zo’n lentetopper. Zalig in combinatie met aardbeien, die de zure kantjes er wat afvlakken. Het fruit gaat rauw in de taart en door de lange baktijd komt het eruit als een heerlijke confituur. Door het vlechtwerk ziet deze vrij eenvoudige taart er ook meteen gesofisticeerd uit.

In het Engels heet zo’n gevlochten taart een lattice pie maar bij ons blijkt daar geen woord voor te bestaan. Creatieve vlechtideeën zijn echter wel legio op Pinterest. Ik baseerde me op het recept van Martha Stewart, ongekroonde koningin van de lattice pies. Voor het kruimeldeeg kan je ook het iets zoetere recept van Ottolenghi gebruiken, dat ik persoonlijk echt een topper vind. Hieronder geef ik het recept van Martha Stewart dat ik gebruikte.

Opgelet: het kruimeldeeg moet een tijdje rusten in de koelkast en ook de taart moet er even in. Als je de afkoeltijd erbij rekent (en die heb je echt wel nodig), duurt het minstens een uur of 5 voor je de taart aan het eten bent.

Ingrediënten

Voor de vulling:
– 1,5 kg rabarber
– 500 gram aardbeien
– 250 gram suiker (mag grove korrel zijn)
– 50 gram maïzena
– een theelepel geraspte (bio) citroen- of appelsienschil en een eetlepel citroen- of appelsiensap
– zeezout
Voor het deeg:
– 330 gram patisseriebloem
– 1 eetlepel (15ml) fijne suiker
– 1 theelepel zout
– 250 gram koude boter of een plantaardige variant (ik ben fan van de Megarine van Vitaquell)
– 100-200 ml ijskoud water
en ook nog:
– 50 gram koud (plantaardige) boter, in kleine blokjes
– een losgeklopt ei (kan je eventueel vervangen door 1 el ahornsiroop met 2 el plantaardige melk)
– grove suiker om te bestrooien (mag ook parelsuiker zijn)
– een taartvorm van ongeveer 22 à 25 cm, liefst met schuine randen

Bereiding:

Kruimeldeeg: 10 min bereiding + 1 uur opstijven

Begin met het kruimeldeeg. Meng de bloem, suiker en zout. Je kan dit doen in een keukenmachine als je die hebt, of met de hand. Voeg er vervolgens de boter bij in kleine blokjes. Werk met de pulse knop van de keukenmachine of wrijf de boter met je vingers door de bloem, totdat je een grove, kruimelige massa hebt. Voeg rustigaan 100 ml ijskoud water toe, meng opnieuw (zo kort mogelijk) totdat het deeg samenkomt tot een massa. Voeg meer water toe indien nodig. Als het deeg klaar is, verdeel je het in twee gelijke delen die je tot een platte schijf vormt. Verpak de schijven in plastic folie en laat ze minstens een uur opstijven in de koelkast.

Vulling en taart: 20 min bereiding + 30 min opstijven + 90 min bakken + 2 uur afkoelen

Begin met de vulling. Schil de rabarber met een mesje (trek de linten eraf) en snijd in blokjes van 1,5 cm. Ontkroon de aardbeien en snij in de helft of kwartjes. Meng in een grote kom met de suiker, maïzena, zout, citrussap en -schil en zet weg.

Bekleed de taartvorm met bakpapier. Rol één van de twee kruimeldeeg schijven uit tot ongeveer 3 mm dikte, ongeveer 30 cm diameter en bekleed de taartvorm ermee. Prik enkele gaatjes in de bodem met een vork. Doe de rabarbervulling erin en leg er de blokjes boter op. Zet in de koelkast terwijl je de bovenkant voorbereidt..

Rol de andere deegschijf uit tot een cirkel van 30 cm, ongeveer 3 mm dikte. Gebruik een pizza cutter of scherp mes om in minstens 15 linten van 1,5 cm breed te snijden.

Neem 8 van de linten die je gesneden hebt, om en om (dus het eerste, derde, vijfde…) en leg ze over de breedte van de taart. Neem nu het eerste, derde, vijfde en zevende lint op de taart en plooi ze op de helft terug. Neem het langste resterende lint en leg dit loodrecht op de overblijvende linten, in het midden van de taart. Leg de linten terug op hun plaats en plooi nu het tweede, vierde, zesde en achtste lint terug. Werk zo al vlechtend verder tot je alle linten hebt verwerkt in de taart. Werk de randen netjes af: ik verwerkte het deeg dat ik over had tot een randje rondom dat ik met een vork van een decoratief kartelpatroontje voorzag. Zet de taart 30 minuten in de koelkast om op te stijven en verwarm de oven voor op 190 graden (je weet zelf wellicht wel hoe lang dit duurt met jouw oven).

Borstel het losgeklopte ei of de ahornsiroop + plantaardige melk over de bovenkant van de taart. Bestrooi met suiker en zet in de oven. Opgepast: de vulling zal overlopen in de oven en daar karamelliseren en verbranden, dus zet de taart ofwel op een rooster met een bakplaat + bakpapier eronder, of op een bakplaat die hier tegen kan. Laat ongeveer 90 minuten bakken, totdat de vulling stevig aan het pruttelen is. Als de taart te snel bruint kan je er een ruim tentje van aluminiumfolie over maken, of de ovenstand aanpassen en/of een andere bakplaat erboven zetten helpt soms ook. Haal uit de oven en laat minstens 2 uur afkoelen op een rooster. Smakelijk!

Gevlochten rabarber-aardbeitaart
Gevlochten aardbei-rabarbertaart
Smakelijk!
Hoe ik de strijd aanbind met de chaos

Hoe ik de strijd aanbind met de chaos

In het leven van een jonge ouder is chaos eerder de norm dan de uitzondering. Je zal mij nooit horen zeggen dat een beetje chaos niet gezellig kan zijn, maar als je het gevoel hebt dat je de hele dag van hot naar her holt, en dan ’s avonds in de zetel ploft met de gedachte “ik heb NIKS gedaan vandaag” dan is er iets mis. Bij mij werd de chaos op een bepaald moment teveel. Sindsdien probeer ik de dingen stapje voor stapje anders aan te pakken. Hieronder vertel ik hoe.

Ik was altijd al iemand die graag veel balletjes tegelijk in de lucht hield (en dat redelijk probleemloos volhield), maar vier-en-half jaar geleden werd mijn wereld serieus op z’n kop gezet door de komst van onze zoon. Ik was net begonnen in een nieuwe, leidinggevende en uitdagende functie toen ik zwanger werd. In mijn eerste jaar als ouder heb ik in een soort ontkenning geleefd dat er iets veranderd was aan mijn leven – en mijn tijdsbesteding. Ik ging door alsof dit een balletje was dat ik er wel zou bij nemen. Fulltime job, verbouwing, hobby’s, engagementen: the show must go on.

TO DO lijst
Een greep uit de to do-lijst tijdens een week vakantie

Terwijl een kleine baby, alleen al uitgedrukt in uren besteed aan borstvoeden, troosten en luiers wisselen, natuurlijk heel veel tijd opslorpt. Mijn fear of missing out en bezige bij-gewoontes werden serieus op de proef gesteld. De belangrijkste les die het moederschap mij in die periode heeft geleerd is dan ook dat het ook kalmer aan mág, dat dat geen schande is. Dat dingen die dit jaar niet lukken omdat er een kleintje afhankelijk van je is en het even niet uitkomt, ook volgend jaar nog wel eens terugkomen.

Intussen werd mijn job er niet minder druk op en leek ik soms op een draaimolen te zitten waarvan de stop-knop niet meer werkte. Dik twee jaar geleden, zwanger van nummertje twee, voelde ik dat het op was. Dankzij een alerte vroedvrouw kwam ik terecht bij een psycholoog en een coach. Haar verdict was duidelijk: je staat op de rand van een burn-out, en je kan beter nú stoppen voor je de afgrond in galoppeert. Ze waarschuwde me om burn-out ernstig te nemen door de impact op je leven te vergelijken met een hartinfarct. Die zat. Ik stopte een maand met werken* om aan mijn herstel te werken en deed heel wat denkwerk. Ik bleef bewust langer thuis met de baby deze keer en kon ook – in samenspraak met mijn werkgever – mijn job craften. Geen leidinggevende meer, wel project manager.

Een vrijwillige demotie** dus – waar ik nog geen seconde spijt van heb gehad. In plaats van cyclische processen mag ik nu projecten met begin, einde, pieken en détentes beheren en dat ligt me veel beter. Sinds die switch voel ik me beter dan ooit. Alleen… met twee kinderen en nog steeds heel wat “buitenschoolse activiteiten” (ik heb het over mezelf, ja, want als vanzelf rol ik dan weer in de ouderwerking van de school…) is de chaos verre van bezworen. En overvalt me nog heel regelmatig het gevoel van “vandaag ben ik precies de hele dag bezig geweest, en ik heb níks gedaan”. Herkenbaar?

zwangerschap
Wat zit er in je buik, mama? Mijn tweede zwangerschap was het moment waarop ik het roer moest omgooien

Cue Anouck en Kelly van Werk & Leven. Ervaringsdeskundigen terzake (moeders, dertigers en allebei meerdere balletjes in de lucht) die ik leerde kennen via de blog van Kelly. Ze lanceerden een cursus ‘Baas Over Eigen Tijd’ die belooft om net dat gevoel van die eindeloze draaimolen een halt toe te roepen.

Initieel was ik behoorlijk sceptisch. Na de intense ontstress-periode ben ik een hele tijd allergisch geweest voor alles wat rook naar planmatig en productief. Ik vond dat de wereld al genoeg draaide rond “nog net dat extra druppeltje productiviteit squeezen door deze lifehack toe te passen”. Ik was het volmondig eens met deze opinie van Selma Franssen: “Ik weet ook niet precies waar de oplossingen liggen, maar ze liggen zeker niet in betere ochtendroutines, playlists met werkmuziek of het optimaliseren van ons eigen ik totdat we erbij neervallen. Misschien mijn beste voornemen voor dit jaar: laat je niet gek maken.” Meer traagheid en meer mildheid, dat was er nodig. Geen onbekende emotie bij mensen die iets gelijkaardigs hebben meegemaakt, zo blijkt.

De eerste edities van de cursus sloeg ik dan ook over. Ik voelde mij er gewoon niet klaar voor. Ik wás er waarschijnlijk niet klaar voor. Maar ik was intussen stevig fan geworden van de podcast van Werk & Leven, waar ik al eens een lifehack of twee oppikte. In november vorig jaar kwam er een nieuwe inschrijvingsronde van Baas Over Eigen Tijd. De promotekstjes leken wel op mijn lijf geschreven en ook de testimonials klonken heel herkenbaar. Maar ja, die vrouwen doen aan content marketing en copywriting voor hun broodwinning – hoe wist ik zeker of het wel echt iets voor mij was? En ging dat allemaal wel lukken in combinatie met het slaaptekort dat ik toen had opgebouwd door de chronische oorontstekingen van onze jongste? Ik heb tot het laatste uur getwijfeld, nog wat vragen gesteld in de live chat, en me dan toch ingeschreven. (Geheel terzijde – ik mocht een vraag stellen in de Ask Us Anything podcast aflevering van seizoen drie, en die ging over het nemen van beslissingen – want ja, daar heb ik het al eens lastig mee.)

Anouck en Kelly beloven dat je in drie weken tijd, met een half uur investering per dag, de cursus kan doorlopen. Ik geloof zeker dat dat kan, maar ik heb er zelf een stuk langer over gedaan. Ik begon vol frisse moed begin december, maar nam bewust een cursuspauze op vrijdag (mijn vrije dag) en in het weekend. Toen kwam er een kerstvakantie tussen, een stresserende operatie voor buisjes van de jongste in januari, en toen was ik even de draad wat kwijt.

Maar uitstel was geen afstel, want na een maand ongeplande (ahum) pauze ben ik wel op een trager tempo verder blijven doen met het cursusmateriaal. En doordat ik alles op het gemak deed, heb ik ook veel tijd gehad om de verschillende lessen al doende te implementeren. Een beetje zoals je huis verbouwen terwijl je erin woont – iets waar ik toevallig ook ervaring mee heb. Eind april ben ik definitief afgestudeerd als Tijdsbaas!

Corona ideale week Bullet Journal
In de cursus Baas Over Eigen Tijd leerde ik onder andere een ideale week ontwerpen – zo hoef ik me niet elke ochtend af te vragen met wat ik in hemelsnaam zal beginnen. Dankzij dit kneepje bedacht ik hoe ik mijn tijd optimaal kan inzetten in tijden van corona.

Was het nu de investering waard, zowel van geld als van tijd? Het antwoord is volmondig *ja*. Baas Over Eigen Tijd is echt heel wat meer dan een serie trucjes om tijd te besparen. Het is een systeem dat je je eigen maakt, waarmee je je leven écht kan veranderen. Het gaat to-taal niet over jezelf als een citroen squeezen tot de laatste druppel productiviteit, maar wel goed nadenken wat je doet, wanneer je het doet en waarom je het doet. Het gaat over bewust keuzes maken in je tijdsbesteding en over het wegnemen van de honderden dagelijkse keuzestressjes die je mentale bandbreedte aantasten. Het is – en ik schuw de grote woorden niet – een Copernicaanse revolutie op vlak van je omgang met tijd.

Ik ben nog volop bezig met het implementeren van alles wat ik uit de cursus heb geleerd en zal er wellicht nog regelmatig naar terugkeren om stukjes te herlezen of nieuwe moed/inspiratie te putten. Niet al mijn dagen lopen strak gepland, en dat is ook echt wel oké. Rome is ook niet op één dag gebouwd. Het is een nieuwe mindset en set van reflexen die dagelijks een stukje meer vorm krijgt. Maar de voordelen ervan worden nu al zichtbaar: ik ben rustiger, ik krijg meer gedaan in minder tijd, en voor ik “ja” zeg pauzeer ik even en denk ik na: tegen wat zeg ik dan eigenlijk “nee”? Ik grapte al eens dat ze de Brexit-slogan “Take Back Control” moeten opeisen***, maar eigenlijk meen ik het echt: dankzij de cursus krijg je terug controle krijgen over je eigen tijd – and dare I say – je leven.

Ook benieuwd? Hier kan je meer te weten komen en inschrijven voor de nieuwe cursuseditie.

goede voornemens take back control
Take Back Control – het kan echt.

Enkele voetnoten:
*Toen ik zwanger een maand wilde stoppen, moest ik uitrekenen en puzzelen om ervoor te zorgen dat dat niet werd afgetrokken van mijn zwangerschapsverlof. Ik ben dan ook ongelofelijk blij dat er eindelijk een politieke doorbraak is om deze absurde regel op te heffen.
**Demotie is een heel interessant – en onderbelicht – onderwerp. Tanja Verheyen heeft er heel zinnige dingen over te zeggen en De Wereld van Sofie wijdde er al eens een heel mooie aflevering aan.
*** Wie wil weten hoe die slogan tot stand kwam, kan ik echt aanraden om de boeiende (en lichtjes angstaanjagende) film “Brexit – The Uncivil War” te bekijken met Benedict Cumberbatch in de rol van Dominic Cummings, het gehaaide brein achter Brexit (en intussen topadviseur van Boris Johnson).

Pastaschelpen in de oven met spinazie, pesto en vegan kaassaus

Pastaschelpen in de oven met spinazie, pesto en vegan kaassaus

Pastaschelpen. Gekocht in een ander tijdperk en terug tegengekomen toen we in de strijd tegen een plaag meelmotten eindelijk alle zakjes droge bonen, rijst, en pasta die zich hadden verzameld in de keukenkasten in mooie, doorzichtige en vooral hermetisch afsluitbare potten staken. Alleen pakken zo’n schelpen best veel plaats in in die potten, en zijn er niet zo gek veel recepten om pastaschelpen te verwerken. Dus toen er in één van de Donderdag Veggiedag-nieuwsbrieven van EVA vzw een ovenschotel met pastaschelpen, spinazie, pesto en vegan bechamelsaus besloot ik om dat meteen te proberen!

Ik heb het recept lichtjes aangepast: de pesto maakte ik van radijsjesloof en pijnboompitten omdat ik dat allebei in huis had, en maar een beetje basilicum (dat loof-idee kwam ook van een EVA recept). Je kan het dus ook prima met basilicum of peterselie doen. De saus maakte ik met cashewnoten om het smeuïger te maken, ze zorgen er ook voor dat je saus minder ‘opgaat’ in de rest van het gerecht. Ik vulde ons restje pastaschelpen aan met wat diertjespasta voor de kinderen (die uiteraard vervolgens alleen de schelpen wilden) en gebruikte 400 gram spinazie ipv 200, omdat dat nu eenmaal de inhoud van een zak uit de winkel is en die anders blijft verleppen in de koelkast.

Ingrediënten voor een grote ovenschotel, 4-6 personen

– 300 gram pastaschelpen of andere vormpasta zoals penne, strikjes…
– 200-400 gram spinazie of andere bladgroente
– olijfolie
– 1 ui
– 1 teentje look
– een blik kikkererwten (400 gram)
voor de pesto:
– loof van een bussel radijzen, plus wat peterselie of basilicum (wat je in huis hebt)
– 1 teentje look
– 4 soeplepels pijnboompitten of blanke amandelen
– 100 ml olijfolie
– peper en zout
voor de kaassaus:
– 100 gram cashewnoten, 4-5 uur geweekt of 10 minuten gekookt in water en uitgelekt
– 300 ml ongezoete plantaardige melk (bv. amandel of haver)
– 2 tl maïzena
– 1 teen knoflook, gesnipperd of geperst
– 1 tl uienpoeder
– 1 eetlepel gistvlokken
– peper, zout en muskaatnoot
– optioneel: vegan gemalen kaas of Parmezaan

Benodigdheden: een grote (steel)pan met dikke bodem, een kleinere steelpan, een keukenrobot, een grote ovenschaal van 26 x 26 of 30 x 22

Bereiding:

Kook de pastaschelpen al dente. Verwarm wat olijfolie in de steelpan, pel en snipper de ui en fruit in de olie tot hij glazig is. Plet en snipper de knoflook en voeg hem erbij. Voeg de spinazie erbij, zet het deksel erop en bak mee tot hij geslonken is.

Verwarm de oven voor op 180 °C.

Breng voor de kaassaus 150 ml melk aan de kook in de steelpan. Meng intussen de maïzena met 50 ml melk. Als de melk begint te koken, voeg je de maïzena en de knoflook, het uienpoeder en de gistvlokken toe. Laat nog 1 minuut doorkoken. Doe de uitgelekte cashewnoten in de keukenrobot met de rest van de melk en pureer tot een gladde pasta. Voeg bij de melksaus. Voeg eventueel een handje gemalen kaas toe. Breng flink op smaak met zout, peper en muskaatnoot.

Voor de pesto doe je de knoflook, pijnboompitten en loof/kruiden in de keukenrobot en maal ze fijn. Voeg de olijfolie geleidelijk toe tot je een smeuïge pesto hebt. Breng op smaak met zout.

Doe de pasta in de ovenschaal en meng de gebakken spinazie en kikkererwten eronder. Schep de pesto en kaassaus erover, zet in de oven en bak het gerecht 15 minuten. Eventueel kan je op het einde de grill nog even opzetten voor een lekker korstje.


Knutselen: brandend huis van een kartonnen doos

Knutselen: brandend huis van een kartonnen doos

brandend huis van kartonnen doos

Bestelden jullie ook zoveel per post de voorbije weken? Bij gebrek aan fysieke winkels en met de orders om in ons kot te blijven mét kroost liet ik o.a. spelletjesboeken, plasticine, bloem, noten, kruiden, kindersandalen en paaschocolade aanrukken. Een pluim voor de postmedewerkers, want ook al kwam o.a. bpost met een gigantische backlog te zitten (sommige van onze pakjes deden er weken over), ze bleven toch maar keihard werken om die pakjes in deze omstandigheden tot aan onze deur te brengen. Maar wat doe je vervolgens met die stapel kartonnen dozen? Een goede gelegenheid om iets mee te knutselen!

Onze oudste kan ondertussen goed overweg met Pinterest, we zoeken samen naar ideetjes om te knutselen (kijk bijvoorbeeld op mijn Craft ideas bord). We wilden al lang een stad van kartonnen dozen knutselen, dus op een middag maakten we ons klaar om uit te pluizen hoe dat juist moet. Maar zoals dat zo vaak gaat als mama naar Pinterest zit te kijken, valt zoon zijn arendsoog op iets anders.

“STOP! Ga eens terug naar dat brandende huis!” Ik had geen brandend huis gezien. “Bij dat vorige fotootje van kartonnen dozen, tussen al die prentjes. Naar boven… Naar boven… Naar boven… DAT!” Het prentje in kwestie was effectief een brandend huis van een kartonnen doos, zonder link. Het zag er niet zo moeilijk uit, dus wij zochten een doos en gingen aan de slag!

Benodigdheden:
– kartonnen doos, niet te groot
– stevig zwart papier
– rood, oranje en geel papier
– een cuttermes (alleen als volwassene mee werken!)
– een schaar
– stevige plakband, bv. duct tape of brede schilderstape
– lijm (genre plakstift)
– meetlat
– als je graag een kleurtje geeft aan je flatgebouw, kan je de doos ook eerst nog schilderen.

Voor je begint te snijden kan je eerst je kind aan het werk zetten met de vlammetjes, als ze al kunnen knippen. Ik heb op dit moment ook uitgelegd dat een cuttermes gevaarlijk is en alléén mama of papa daar mee aan de slag mag. Je tekent een grote, middelgrote en kleine vlamvorm op de rode, oranje en gele papieren. Eigenlijk lijken onze vlammetjes nog het meest op gestileerde tulpen (ik was wellicht wat blijven hangen in de paasmandjes-sfeer). De rode vlam mag even groot of net iets groter zijn dan de hoogte van je ramen (ik liet een paar vlammetjes uit het raam komen voor extra dramatisch effect). Je tekent ook een grote wolk op het zwarte papier, zo breed als de helft van de breedte van je doos + een lipje van 2 cm om het mee vast te plakken onderaan, een grote vlam die past in je wolk voor het dak en een middelgrote vlam voor de deur.

vlammetjes van papier knippen
opperste concentratie

Ik gebruikte de onderkant van de doos om de ramen en deur uit te snijden. Je kan die gewoon toegeplakt laten en ook de binnenste flapjes op de bodem kan je toe laten. Zorg alleen dat je langs de binnenkant aan de buitenste laag karton kan. Verstevig eerst de doos langs de binnenkant, bv. door de binnenflap aan de onderkant extra vast te plakken (onze doos had wat afgezien met de post dus ik heb de hoeken ook wat verstevigd). Meet de hoogte van de doos en de breedte. Beslis hoeveel raampjes je wilt maken en hoe groot die ongeveer moeten zijn. Onze raampjes zijn bv. 3,5 cm hoog en 5 cm breed met 3 cm tussen. De deur is 7 cm hoog.

Voor de opening tussen de twee ramen snijd je een verticaal sleufje op de helft van de breedte van de flap. Dan snijd je langs weerskanten een horizontaal sleufje (dus 2,5 cm aan elke kant in ons voorbeeld) Voor de deuropening maak je de plakband tussen de twee flappen los en snijd je een horizontale sleuf aan de bovenkant. Je kan dit van tevoren aftekenen als je wilt, ik heb eerder uit de losse pols gewerkt bij dit project. Let erop dat je bij het snijden de kartonnen flap die aan de binnenkant van de doos zit min of meer heel laat. Open de raampjes en de deur. Het begint al te lijken op een flatgebouw, niet?

Aan de achterkant van het raampje rechtsboven wilden we een mannetje zetten, dat gered kan worden door de hulpdiensten. Je kan een mannetje tekenen om erachter te plakken zoals in het originele werk. Wat wij deden was de binnenste flap van de doos uitsnijden ter hoogte van het raampje en er met behulp van plakband (zie foto) een soort brugje van maken waar dan een Playmobil of Duplo mannetje op kan staan.

Als alles gesneden en uitgeknipt is, is het tijd om te plakken! Plak het oranje vlammetje op het rode, en dan het gele erop. De grote vlam gaat op de zwarte wolk. Daarvan plooi je het lipje om, en dat plak je op de bovenkant van het flatgebouw. Knip voor de achtergrond van de vlammetjes in de ramen uit het zwarte papier een rechthoek die 2 cm hoger en 2 cm breder is dan je raamopening (bv. 3,5 x 5 = zwart papier 5,5 x 7), doe hetzelfde voor de deur. Plak de vlammetjes op het zwarte papier, dat je dan achter de ramen plakt langs de binnenkant van de doos, met lijm en/of plakband. Als je een vlammetje uit het raam wilt laten komen, plak je eerste het zwarte papier achter het raam en dan het vlammetje erop. Je kiest zelf hoe hard je het gebouw laat branden!

brandend huis knutselen kartonnen doos
Klaar! The roof is on fire!

Et voilà! Als je een brandweerwagen in huis hebt, kan die nu de bewoners uit het gebouw beginnen redden!

brandend huis knutselen mannetje