Schattenjacht in een stadstuintje

Schattenjacht in een stadstuintje

Hoe je vierjarige entertainen in een tuin (of woonruimte) van 26 m²

De tuin was niet de reden dat we ons huis kochten. Toen we het huis gingen bezichtigen nam ik foto’s van het koertje erachter. Telkens we er terug kwamen (het was een openbare verkoop, dus we mochten meerdere malen gaan kijken) bleek het koertje ruimer dan in mijn herinnering, maar een voetbalveld was het nu ook weer niet bepaald. En de brokkelige betonnen ondergrond plus valgevaarlijke insijpelput zouden geen schoonheidsprijzen winnen. Maar goed, in de stad ben je vaak al blij als je buiten kan tout court, en er waren andere redenen waarom we verliefd werden op het huis.

Onze renovatiewerken vorderden zoetjesaan, en in 2018 lieten we onder begeleiding van een tuinarchitect en architect de achtergevel, koer, terras en kelder isoleren en omtoveren tot een aangenaam stadstuintje. In het voorjaar van 2019 was de metamorfose compleet met het aanplanten van de tuin en moestuinbak. Ik sta nog altijd versteld van de mogelijkheden die zij uit elke vierkante centimeter geperst hebben, en we zijn nog elke dag blij dat we beslist hebben om dat stukje verbouwing uit handen te geven aan een zeer kundig team van architect en aannemer.

Een stadstuintje van 26 m² is natuurlijk nog altijd geen grote tuin, je kan er geen sprintje in trekken of glijbaan in zetten, zelfs zo’n blauwe schelp vult al rap het hele terras. Ik maakte vorig jaar een zandbak van een oude wastafel die in de corontaine al dankbaar dienst heeft gedaan (want zand is soms echt all you need om een peuter/kleuter te animeren). We gaan nog steeds naar het park of op uitstap buitenshuis, maar de speeltuin is nu helaas gesloten en meer dan één keer per dag buiten komen zit er ook niet echt in. Nu dit weekend de zonnestralen echt doorbraken was het dan ook een fijne gelegenheid om wat meer tijd in de tuin door te brengen en besloot ik een schattenjacht in elkaar te steken om onze vierjarige te entertainen. Je kan dit ook binnenshuis organiseren, trouwens.

Het idee van een fotozoektocht pikte ik op in de geweldige impromptu opgerichte Facebookgroep 5WekenTotPasen van Maison Slash. Het is simpel maar geniaal: je maakt detailfoto’s in je tuin of binnenshuis van allerlei items, bloemen, planten… Je kind moet zoeken waar de foto gemaakt is, moet dan een opdrachtje uitvoeren en krijgt een nieuwe foto. Je kan altijd achteraf nog meer inzoomen op de foto om het moeilijker te maken, en afhankelijk van je kind en hoe lang je wilt dat het duurt kan je het moeilijker of makkelijker maken. Ik maakte een stuk of 15 foto’s met de smartphone en koos er 10 uit, die ik nog wat inzoomde en in een Google fotoalbum stak dat ik ook op de tablet kon openen. Met een oude digitale camera mocht hij zelf de foto’s namaken en dan komen tonen (dat vond hij nog het leukst van al).

Ik maakte van een zijde van een lege doos pasta met kleurpotloodjes een kaart van de tuin, duidde aan met een kruis waar de schat lag en de weg er naartoe, brandde de randjes wat af voor de pirate’s touch en knipte er 10 puzzelstukjes van: et voilà, een echte schatkaart. Een schoendoosje werd de schatkist, ik stak er een tekening van een ijsje in (hier kan je alles insteken wat je maar wilt: lekkere koekjes voor het vieruurtje, paaseitjes, een echte muntschat of een leuk stukje speelgoed…) en verstopte de doos ongezien op de plek van het kruisje.

Rest je nog om evenveel opdrachtjes als foto’s/puzzelstukjes te bedenken. Ook hier kan je het zo moeilijk of langgerekt maken als je zelf wilt. Onze opdrachten waren: zing een liedje, geef de planten water, spring rond als een kikker, maak een puzzel, zoek 10 rode dingen in huis, zoek 15 dieren in huis, maak een Duplo bouwwerk met minstens 6 verschillende kleuren, een optel-aftel-spel dat hij in de klas had gemaakt, tik 15 keer tegen een ballon met 2 sla scheppen zonder dat hij de grond raakt… you get the picture (oke oke, voor degenen die tot 10 kunnen tellen: ik ben een van de opdrachten vergeten. Gebruik uw creativiteit ;-))

Tijd om te beginnen met de schattenjacht! Je toont de eerste foto, je kind gaat de tuin in op zoek (bij foto 2 was het hier direct zonder één voet buiten te zetten: “ik zie niet wat het is. Geef eens een tip.”), maakt zelf de foto na, krijgt dan een opdracht en als die vervuld is een puzzelstuk en een nieuwe foto. Met een paar stukjes kan je al beginnen puzzelen en wordt het alleen maar plezanter. Als alle stukjes verzameld zijn is het een oefening in kaart lezen – wat is waar en waar ligt nu de schat verstopt? Hier was de schattenjacht alvast een dikke hit – eerst was het papieren ijsje een beetje een anticlimax, maar toen ik vertelde dat het voor een echt ijsje was klaarde hij op, en sindsdien heeft hij al elke dag gevraagd “wanneer we nog eens schattenjacht gaan doen?”. Veel plezier ermee!

Mindfulness in een potje: rode kool fermenteren

Mindfulness in een potje: rode kool fermenteren

Hoe ik van de nood van quarantaine een lekkere deugd probeerde te maken in de vorm van een pittige rode zuurkool

De eerste dagen van de corontaine waarover ik over enkele decennia heldhaftig zal opscheppen tegen mijn kleinkinderen, voelde het voor mij nog aan als een welkome gelegenheid om te vertragen en dingen te maken die tijd en geduld vragen – twee dingen die mij in normale omstandigheden niet zo goed af gaan. Dingen als fermenteren en zuurdesemstarters. Twee eeuwenoude trucjes uit de natuur, processen die ons eten als door een onzichtbaar, magisch proces transformeren van rauwe grondstoffen tot knapperige smaakbommetjes.

Mijn ervaring met fermenteren is eerder anekdotisch. Ik herinner me een proefje in de les biologie in het middelbaar met zuurkool (sauerkraut noemen ze dat in de VS) waarbij we aan de slag gingen met plastic potjes, knolselder en pekel om over anaerobe processen te leren. Op het einde mochten we onze eigen sauerkraut proeven. In 2018 deden we met de collega’s als nieuwjaarsuitstap een kookworkshop die draaide rond vergeten groenten, waar we o.a. prutsten met het inleggen van rode bietjes, wortel, daikon en smaakmakers als knoflook, gember en mierikswortel. Ik was gefascineerd. En een maand of twee geleden mocht ik van mijn collega Heleen op de middag door het prachtige boek Kimchi van Ae Jin Huys bladeren, ik kreeg prompt weer zin om te gaan fermenteren. Heleen raadde mij aan om met kool te beginnen – momenteel (nog net) in het seizoen.

Ik had nog een pre-corona rode kool in de koelkast zitten en zo’n hele kool tot klassieke rode kool verwerken is meestal toch een beetje te veel van het goede (ik heb geen geschikte kookpot waar een hele kool in past). Dus ik zocht naar recepten online om rode kool te fermenteren, die verrassend schaars blijken te zijn. Ik baseerde me uiteindelijk op dit recept van Ekoplaza en de uitleg van de Hippe Vegetariër Maar de techniek van lactofermentatie is uiteindelijk altijd hetzelfde: groenten fijn snijden, voldoende zout bij doen, in een afgesloten potje steken (ondergedompeld in vocht) en wachten. Na wat snuisteren in recepten ging ik aan de slag met rode peper, knoflook, mosterdzaad en zwarte peper als smaakmakers. Die zwarte peper zou ik retrospect niet meer doen: wel lekker, maar zo’n heel bolletje in je mond krijgen is niet geweldig en je wilt ook niet iedere keer naar bolletjes zitten vissen voor je gaat eten. De smaakmakers smaken in het begin heel sterk af, maar niet panikeren: die scherpe smaken vlakken echt af en maken de kimchi heerlijk smaakvol.

Paarse mindfulness in een potje: mijmeren en staren naar de belletjes die zich gezapig een weg naar boven werken… Of de overkant van de straat in de gaten houden. Bonuspunten voor wie de MIVB-bus spot!

Ik gebruikte ongeveer 1/3-1/2 of 400-450 gram rode kool voor een potje van 0,5 liter. Het kon er net in, maar het vocht ontsnapte wel af en toe uit de pot tijdens het fermenteren, dus zorg dat je er een bordje onder zet. Als potje gebruikte ik een IKEA voorraadpot zonder rekker (zodat de lucht eruit kan). Ik ‘steriliseerde’ het potje eerst door er kokend water over te gieten en te laten uitlekken op een propere keukenhanddoek.

De ingrediënten voor 0,5 liter:
– 1/3-1/2 rode kool
– 1 of 2 rode pepers
– 3 teentjes knoflook
– 3 cm gember
– 1 eetlepel mosterdzaad
– zeezout (mag grof zijn)

Rooster het mosterdzaad eventjes in een hete pan. Snijd de rode kool in fijne reepjes, laat het harde hart eruit. Als je een mandoline of keukenmachine met zo’n schijfjes-snijden-mes hebt zou je het ook daarmee kunnen doen, maar een rasp lijkt me (intuïtief) niet zo’n goed idee. Reepjes snijden als je tijd hebt is ook gewoon een fijne mindful bezigheid. Snijd de pepertjes ook in reepjes en hak de knoflook en gember heel fijn. Weeg alle ingrediënten samen af. Weeg per 100 gram groenten 1½ gram zeezout af (dus zout moet 1½ procent van het totaalgewicht zijn).

Doe alle ingrediënten samen in een grote kom en voeg het afgewogen zout toe. Kneed alles ca. 10 minuten stevig door; de groenten moeten gekneusd worden en door het zout hun vocht loslaten. Uiteindelijk ontstaat er veel vocht. Kap groenten en vocht samen in het schone potje. Mijn groenten stonden niet hélemaal onder als ze in het potje gingen, en in dat geval kan je voor de zekerheid een beetje pekel maken (recept: 30g zout per liter, dus 3 gram per 100ml) en aanvullen tot alles onder staat. Afsluiten met een laagje neutrale plantaardige olie zodat er geen lucht aan kan, deksel toe en klaar! Vergeet er geen bordje onder te zetten.
Ter info: als je meer wilt weten over lactofermentatie vind je hier veel nuttige info. Het is belangrijk dat je groenten onder blijven staan in de pekel zodat er geen lucht aan kan, soms wordt het daarom ook wat verzwaard met bv. een schoteltje (dat was niet echt een optie in mijn pot). Je kan in verschillende soorten potten en potjes fermenteren (glas, plastic…), maar denk eraan dat er lucht uit moet kunnen, desnoods door die elke dag eventjes te laten ontsnappen. Er bestaan ook speciale potten voor zuurkool waar de lucht uit kan, maar als beginner wil je daar wellicht niet meteen in investeren.

Nadat je de rode kool van je handen hebt geschrobd komt het zen gedeelte: elke dag met je kin op het aanrecht naar de bubbeltjes kijken die verschijnen tussen de koolreepjes! Na een dag of 5 kan je eens proeven om te kijken of het al zuur genoeg is. Het is normaal dat de groente knapperig blijft (maar niet rauw). Wanneer ik het goed vond deed ik de rek erin en zette ik het potje in de koelkast (als je een frisse kelder hebt van maximum 10 graden kan het ook daar). Daar blijft het héél lang goed.

Op een boterham met hummus… Ook heerlijk in een pita met falafel, die was te snel verorberd!

En dan, smullen maar! Waar kan je dat nu allemaal bij eten? Hier een paar ideetjes:
– voor een snelle avondmaaltijd: kant-en-klare falafels bakken in de pan, één of twee sausjes van Ottolenghi erbij (tahinsaus mag niet ontbreken – meng gewoon snel wat sesampasta met water, citroensap, en een geplet teentje look), wat rauwkost (bv. veldsla, komkommer), hummus en rode zuurkool op een pitabroodje
– ‘s middags op een boterham met hummus of bij Pa’lais blanc
– als smaakmaker tussen een broodje met een sappige veggieburger of bij een veggie hotdog
– bij puree, met een snufje mosterd erbij
Kortom, alles wat een beetje extra kick kan gebruiken. Smakelijk!

Terug van (heel ver) weggeweest – deel twee

Hey, fa! (Wie herinnert zich dàt nog, zeg)

In het vorige bericht vertelde ik hoe mijn blog brusselsfoodie.com kwam te gaan, en hoe brusselsfoodie.be als een feniks uit de assen herrees, met dank aan IT-saviour Pedro. Maar toen kwam eigenlijk het moeilijkste: de blog opnieuw vorm geven en herdenken. Wat moest Brussels Foodie anno 2020 worden?

Toen ik startte met Brussels Foodie in 2011 woonden we pas in Schaarbeek en was ik nog een 20-something met een lief, een (zalig) huurappartement, zonder kinderen, zonder verbouwing en vooral -als ik er nu op terugkijk- zeeën van tijd om te rommelmarkten, uit te gaan en in het weekend uren in de keuken door te brengen. Ik dweepte een beetje met prachtige Engelstalige food blogs als Smitten Kitchen en besloot om die van mij ook in het Engels te schrijven, zo kon ik ook met mijn internationale vrienden blijven communiceren en onderhield ik zelf m’n taalvaardigheid een beetje.

Fast forward naar 2020: de blog ligt al een jaar of vier behoorlijk plat nadat we van huisje-verbouwinkje-kindjes deden en de kriebels die ik af en toe voelde om recepten en ander leuks aan het world wide web toe te vertrouwen zelden het toetsenbord haalden. En toen kwam dus de hostile takeover van brusselsfoodie.com en was het een beetje ‘nu of nooit’ gevoel. Ik ben al een hele tijd fan van Kelly Deriemaeker van Tales from the Crib en het toeval wil dat zij een Blogboek schreef, waar ze over vertelde in één van de Werk & Leven podcasts (heb ik al gezegd hoe fantastisch die zijn? Ik ga vast nog een paar keer in herhaling vallen, maar check. them. out.)

Het Blogboek dus. Ik kocht het om mee te nemen naar onze driedaagse aan zee (oh, wat een ongekend heerlijke luxe lijkt dat in Coronatijden – zomaar eventjes naar zee kunnen gaan) en las het op drie dagen uit, wat niet van mijn gewoonte is. Dat het vooral regende tijdens de vakantie en we een leuke binnenspeeltuin vonden in Middelkerke, hielp daarbij. Het boek is heel gestructureerd opgebouwd in hoofdstukken en behandelt allerlei nuttige onderwerpen die je helpen nadenken over het soort blog dat je wilt: welk publiek je wilt aanspreken, wat je rode draad is, hoe je je blog vormgeeft… very comprehensive, quoi. Daarnaast zit het boordevol toffe ideeën om concreet aan de slag te gaan.

Heimwee naar de zee, ook al ratelde de wind toen door de rolluiken

Dus dat is wat ik deed: nadenken over welk soort blog ik wilde, en daarmee aan de slag gaan. Ik wil vanaf nu in het Nederlands bloggen (doorspekt met wat Engels en Frans, zoals het een goede Brusselse wereldburger betaamt), met ‘goed eten’ nog steeds als rode draad, maar niet als enige onderwerp. De kinderen zijn er (and they ain’t goin’ nowhere at the moment), dus daar wil ik ook iets mee doen: kindvriendelijke adresjes, kindvriendelijk eten, fijne gezamenlijke activiteiten … Duurzaamheid is ook steeds een belangrijk onderwerp in mijn leven, op allerlei manieren, dus ook dat zal een aanwezig thema zijn. En voor de rest: wie mij kent, weet dat ik niet veel opheb met verbloemen, faken of doen alsof. Een foto maken van een knutselactiviteit zonder dat er rommel in de achtergrond ligt lukt niet altijd en die lachende emoji met een zweetdruppel op z’n voorhoofd staat bij mij altijd op speed dial. Keepin’ it very real, dus.

Et voilà: le nouveau Brussels Foodie est arrivé! Heb je suggesties, vragen, commentaar… let me know. En ik beloof: de posts met doe-dingen komen er snel aan!

Terug van (heel ver) weg geweest – deel één

Over hoe een onwaarschijnlijke ontmoeting met een West-Vlaming genaamd Pedro deze blog nieuw leven in blies.

Disclaimer: de herlancering van mijn blog werd intussen ingehaald door de Corona-realiteit. Wat ik daarmee precies ga doen de komende dagen-weken weet ik nog niet: er veel aandacht aan besteden of net niet? Ik ben zelf al lichtjes verzadigd met “hoe-hou-ik-mijn-kinderen-bezig-ideeën”, dus ik weet niet of ik daar nog iets zinnigs aan kan toevoegen. Alleszins, al te meer redenen om virtueel connectie te maken nu. Hieronder lees je alvast hoe ik ertoe kwam om mijn blog weer op te starten.

Zo. Long time no see. Onder invloed van veel verschillende factoren – een verbouwing, een kind, nog wat verbouwen, een broodnodige time-out van het werk, nog een kind, een job switch, om maar enkele te noemen – was ik het uitgebreid koken en bijhorende bloggen nogal uit het oog verloren. Hoe gaat dat he, in het leven. De voorbije maanden waren niet minder druk, maar een aaneenschakeling van gebeurtenissen heeft ervoor gezorgd dat ik toch weer de draad wil oppikken, met een frisse wind!

Eén van de redenen waarom bloggen er niet meer van kwam: de eindeloze verbouwing
Eén van de redenen waarom bloggen er niet meer van kwam: de eindeloze verbouwing

Hoe is het zo ver gekomen? Het verhaal heeft een onwaarschijnlijke twist die ik jullie niet wil onthouden. In augustus vorig jaar kreeg ik een mail van mijn hosting service met als titel “Domein: brusselsfoodie vervalt binnenkort” en een aanmaning om hun factuur van 9,09 euro te betalen. Alleen, ik vond die factuur nergens terug. Dus ik mailde terug, of ze een kopie wilden sturen. Geen antwoord. In september kreeg ik opnieuw een mail, om te laten weten dat mijn domeinnaam werd opgeschort wegens wanbetaling, en er een 30 dagen ‘redemption grace period’ begon waarin ik mijn domeinnaam nog kon redden. Dus ik mailde opnieuw terug om de factuur op te vragen, probeerde ook te bellen, tweeten, Facebooken… geen respons, tot mijn frustratie. Erger nog: ik bleek niet de enige in dit schuitje en werd gecontacteerd door verschillende andere website eigenaars die mijn tweets zagen en hetzelfde meemaakten. Arghh.

Ik checkte af en toe brusselsfoodie.com, waar nu niks meer op stond, maar zag niks gebeuren. Tegelijkertijd vond ik de domeinnaam ook niet beschikbaar om terug te kopen. Tot ergens in januari er plots schreeuwerige Chinese gifs verschenen die o.a. reclame maken voor casino’s in Macau. Als bij wonder geraakte ik nog eens terug in de backoffice waarvan ik dacht dat ik het paswoord forever kwijt was en wat bleek: al mijn content was weg. CRAP. Plots besefte ik: mijn blog is echt weg, en alle inhoud erbij.

the site formerly known as brusselsfoodie.com :-(

Hoewel ik al een hele tijd inactief was, was ik best miffed over het feit dat ik nergens nog een backupje had van alle recepten en andere dingen die ik in de loop der jaren bij elkaar had geschreven. Ik overwoog om een nieuwe blog te beginnen, in het Nederlands dan, zat stiekem ook een beetje te brainstormen over wat ik daarop zou zetten… En toen kwam het mailtje.

Op de vele mailtjes die ik naar de hosting service stuurde kwam nooit een antwoord. Tot plots, maanden na datum: “Hallo, ik ben nieuw bij het bedrijf en volg alle openstaande zaken op. Is dit nog van toepassing?” Ik mailde terug, legde de situatie uit en luttele minuten later hing een sappige West-Vlaamse stem luisterend naar de naam Pedro aan de lijn. Pedro vatte de hem gegeven koe stevig bij de horens en zowaar, enkele uren later zag ik terug de backup bestanden van mijn bloginhoud verschijnen! De domeinnaam was helaas lost in cyberspace (enfin, in Macau) maar aangezien brusselsfoodie.BE nog vrij was, was ook dat rap geflikt. Duizendmaal dank Pedro! Als dit geen teken uit de hemel was dat ik terug de blogdraad moest oppikken, wat dan wel? En zo geschiedde…

Benieuwd wat ik van plan ben met mijn nieuwe blog? Stay tuned for deel 2…

Brussels sprouts and pear panzanella

So, how to go about this… yes, it’s been over 2 years since I posted my last recipe here. A lot happened in the meantime, mostly having a baby who has grown into a cute and rather picky toddler*. That directed a lot of my time and energy away from experimenting in the kitchen and towards, um, a big experiment to keep a tiny human being alive and kicking.

But these days I find myself having a little bit of time and culinary inspiration again! Three things happened: firstly, I participated in a cooking workshop with my colleagues (for our annual New Year event). It’d been AGES since I’d done any kind of new (and fun) cooking. It was mostly about fermenting vegetables but it worked up my appetite for all things umami! Secondly, I got Dorien Knockaert’s new cookbook ‘Thuiskomen‘ for Christmas. And finally, I became ill, had to take some time off and started reading the book and thinking about things I wanted to try in the kitchen. As an added bonus, someone told me they used to follow my blog, which sort of prompted me to do something with it again :-) So with Brussels sprouts in the fridge that needed to be used and a recent quest for more umami flavor, I combined a few recipes to get to this Brussels sprouts and pear panzanella!

The sources of inspiration: Dorien’s panzanella salad (in Thuiskomen), Martha Stewart’s Brussels sprouts and pear combo and one of many recipes that combine balsamic vinegar and maple syrup with sprouts.

*some mom blogs will tell you that children are more likely to eat vegetables that look ‘roasted’, but mine wasn’t in the mood for any vegetables today. The crunchy oven-baked bread was a hit, though. Try again next time.

Brussels sprouts and pear panzanella

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingredients for 3-4 servings:

500 grams (1 pound) of Brussels sprouts, cleaned, trimmed and cut in half
3-4 shallots
2 firm pears (they shouldn’t be super soft yet or they’ll turn to pulp)
5 sprigs of thyme
olive oil, pepper and coarse salt
1 small ciabatta bread or 2/3 of a baguette artisanale
3 tablespoons of balsamic vinegar
2 tablespoons of maple syrup or honey

How to:

Pre-heat the oven to 220 degrees Celsius. Clean and trim the sprouts (remove the outer leaves) and cut in half. Peel the shallots and quarter them. Slice the pears, remove the core (don’t peel) and cut into 1-2 cm wedges. Put the sprouts, shallots and pears in a bowl with the thyme. Drizzle with olive oil, add pepper and salt and toss carefully (mind the pears).

Spread out on a deep baking dish and put in the middle of the oven for 15-18 minutes, until the first sprouts are starting to turn brown. In the meantime, tear the bread into chunks slightly larger than the sprouts. Toss in the same bowl with some olive oil. Add to the baking dish on the outer sides, shifting the sprouts to the middle (the bread will turn brown faster there). In 6-7 minutes,  the sprouts should be caramelized and tender and the bread should be crunchy. While the bread is in the oven, whisk the vinegar and maple syrup in a small bowl.

Remove the baking dish from the oven. Use a large spoon to scoop everything but the bread from the baking dish and into a heatproof serving dish. Drizzle with the vinegar mixture. Toss carefully (the pears will be very tender now). Add the bread. Let this stand for 5 minutes so the bread can soak up a little bit of the yummy vinegar. Serve and enjoy!

DIY: zelf een stevige draagzak maken

Sinds november 2015 ben ik naast foodie ook mama en dus worden de culinaire activiteiten eventjes ingewisseld voor de wondere wereld der baby-spulletjes. Van mijn schoonzus kon ik een tricot-slen draagdoek lenen en na het overwinnen van enige terughoudendheid (dat gaat nooit lukken/wat een gedoe met die lange flappen/is dat niet voor hippies…) en het wat beter leren knopen (zodat het niet voelde alsof ik plotseling weer 41 weken zwanger was) zat ons kleintje daar lekker knus tegen mij (of papa) aan. En wat heerlijk om de handen af en toe vrij te hebben terwijl de baby toch getroost wordt door mama’s warmte. Om nog maar te zwijgen van het gemak op het Brusselse openbaar vervoer: gedaan met speuren naar liften of lief kijken naar anderen om de maxi cosi een trap te helpen opsjouwen… Helemaal enthousiast geworden door deze nieuwe perspectieven die zich voor ons openden en met een trip naar Parijs in het vooruitzicht (waar de metro’s naar het schijnt een hel zijn voor de doorsnee buggy) schreven we ons in voor een workshop dragen bij Myriam van Dragen in Brussel en maakten we kennis met de verschillende dragers. Naast onze rekbare draagdoek, waar ons hummeltje stilaan is uitgegroeid, zijn er namelijk ook geweven draagdoeken, ring slings, mei tais, …

Na de draagworkshop ging ik in webshops op zoek naar een model dat me aanstond, maar de prijzen van de meeste draagzakken maakten even de Dagobert Duck in mij wakker. Mooi, maar niet goedkoop. En na wat surfen en rondsnuffelen op blogs van handige mama’s begon deze doe-het-zelfster weer goesting te krijgen om acher de naaimachine te kruipen.

Dus terwijl ik een uitstap naar de stoffenwinkel plande tijdens de laatste dagen van de solden én van m’n bevallingsverlof stak de projectkoorts op. Jeweetwel, dat gevoel van uitdaging en een hoofd vol plannen en ideeën wanneer je aan iets begint dat je eigenlijk doodgraag doet – in mijn geval achter de naaimachine kruipen. Ik deed veel inspiratie op door de blogs van Grumbles And Grunts en Barefoot And Pregnant Esquire. Ik besloot een mei tai te maken naar het model van de Girasol MySol, dat ik ook had uitgetest in de draagcursus. Het voordeel van de MySol is dat er geen gespen of andere plastic/metalen onderdelen aan te pas komen, alles werkt met touwtjes en linten. Bovendien kun je hem groter en kleiner maken, zodat hij geschikt is voor hele kleine baby’s tot en met hele grote. Ik vond de afmetingen van de MySol hier.

Mijn draagzak heeft 2 meter lange schouderlinten en 3 meter lange heuplinten. Daarmee maken zowel mijn man als ik (beide doorsnee grootte) vlotjes een knoop vooraan met het heuplint en een knoop achteraan met de schouderlinten. Je kan dus iets korter gaan (zeker voor de heupen), zorg dan wel dat je eerst de nodige afstand meet op jezelf met een lintmeter en rekening houdt met de knopen die je nog moet leggen. Veiligheid is belangrijk dus maak geen te korte linten (je moet een dubbele knoop kunnen leggen) en kies zeker een stevige stof en kwaliteitsvolle draad!

Deze draagzak is helemaal uit stof gemaakt in twee kleuren, zodat je hem langs twee kanten kan gebruiken (handig voor als hij bij je hele kleerkast moet passen, of als je partner doorgaans een meer/minder flashy kleurenpalet hanteert). Je kan hem uiteraard ook uit één kleur te maken, dit bespaart je mogelijk een beetje stof. Ook dan kan je hem nog langs twee kanten gebruiken.

De benodigdheden kostten mij alles tesamen zo’n 60 euro (stof + vulling + draad), maar als je op zoek gaat naar goedkope stofjes of kan werken met resten kan het uiteraard nog een pak goedkoper. Onderaan de pagina vind je enkele tips om goed aan de slag te gaan met de drager, maar ik kan je van harte aanbevelen om een workshop dragen te volgen, dat kan bijvoorbeeld bij Myriam.

Veel succes ermee en laat mij zeker iets weten als je het zelf uitprobeert! Schattige foto’s van kleintjes in draagzakken please!

Wat heb je nodig:

Textiel: ik gebruikte stevige, canvasachtige interieurstoffen van 100% katoen (gevonden in Maison Dorée, de keten van de Nekkertex). Ik koos voor niet té dikke, ademende stoffen zodat ik in de zomer niet loop te puffen (een baby geeft al genoeg warmte af – letterlijk en figuurlijk :-)). Gordijn- of meubelstof, denim, een stevige tafeldoek, de meeste stoffen van IKEA… als het maar stevig aanvoelt (als in, je durft je meest precious bezit erin ophangen) en ademt. Ik heb geen ervaring met rekbare stoffen voor zo’n draagzak, dus ik zou het niet aanraden – alleszins op eigen risico uit te proberen.

De (gordijn)stof die ik kocht was 280 cm breed en ik kwam ruim toe met 1,5 meter van elke kleur – ik kon er zelfs twee zakken van maken. Belangrijk is wel om te weten dat ik de linten heb geknipt in de draadrichting (en dat ook zou aanraden voor de stevigheid), waarbij ik alle linten uit twee delen heb gemaakt (1,5m + 0,5m voor de schouderlinten en 1,5m + 1,5m voor de heupen). Als je stof 280 cm breed is kom je ook toe met 1 meter van elke kleur, maar dan moet je drie panelen aan mekaar zetten voor het heuplint.

Als je stof koopt van 140 cm breed (zoals de meeste stoffen) heb je 1,5 meter van beide kleuren nodig.

Als je de hele doek uit één kleur maakt volstaat 1,5 meter van 280 cm breed of 3 meter van 140 cm breed.

Let op: je hebt iets meer stof nodig als je kiest voor stof met een patroon, als je het patroon mooi wilt laten aansluiten. Hoeveel meer hangt af van de herhalingsafstand van het patroon.

Draad: 2 rolletjes Gutermann draad in de kleur van één van de stoffen. Ik kocht 1 rolletje en viel zonder draad toen mijn zak bijna af was en de Veritas al gesloten – bestaat er iets meer frustrerend? (gelukkig zat er nog een zetelproject – ahem – in mijn ooit-eens-aan-beginnen-schuif in een gelijkaardige kleur waarvoor ik al draad had gekocht, zodat ik toch nog lekker veel te laat kon doorwerken).

Vulling: vraag in de stoffenwinkel naar dikke fluffy vulling (er bestaat vast een professionele naam voor, maar die ontglipt me even) voor je schouder- en heuplinten. Ik koos de dikste van de drie opties en kocht 0,5 meter van 1,4 meter breed. Daarmee kan ik waarschijnlijk een zak of 5 maken… Met 0,3 meter kom je m.a.w. ook toe (maar zoiets is altijd handig om in stock te hebben, toch?)

Materiaal:

need to have: een naaimachine (ik raad af om dit met de hand te proberen, tenzij je naam Assepoester is), jeansnaalden (ik heb er twee gebroken op het einde bij de laatste vijf stiksels), een goede stofschaar, patroonpapier (papier met ruitjes is o zo handig), een gewone naald, een lintmeter, spelden, een strijkijzer

nice to have: kleermakerskrijt om te traceren op de stof, enige naai-ervaring komt ook van pas.

Oké, let’s get started!

Vooraleer je uit de startblokken schiet, kan je best de stof wassen zodat ze achteraf niet krimpt, goed soepel wordt en de meeste chemicaliën van de productie eruit zijn (als jouw kind is zoals het mijne durft hij al wel eens sabbelen op die doek). Wassen op 30 graden is voldoende, maar zorg ervoor dat je de stof niet opgevouwen in de machine steekt, want dan kan je witte strepen krijgen waar de vouw zit. Strijk de stof daarna, zodat de ergste kreukels eruit zijn en ze goed plat ligt voor het knippen.

Begin met het uittekenen en knippen van de patronen en ze uit te leggen op de stof. Teken de patronen over van de modellen op de tekening. Alle afmetingen zijn in centimer (klik om groter te maken).

patroondelen draagzak

Je hebt de volgende stukken nodig:

(NB: als je alles uit één kleur maakt knip je gewoon alles behalve de treklinten dubbel)

– (1) draagzak: 1 van elke kleur (knip 1,5 cm naad extra)
– (2) kap: 1 van elke kleur (knip 1,5 cm naad extra)
– (3) binnenstuk draagzak: 1 van elke kleur (knip 1,5 cm naad extra)
– (4) schouderlinten: in totaal 2 x 2 meter van elke kleur, geknipt met de draadrichting mee. Knip 2 stroken van 13 cm breed (naad van 1,5 cm inclusief) en 1 strook van 12 cm als je 1,5 meter lange stof hebt.
– (5) heuplint: in totaal 3 meter van elke kleur, geknipt met de draadrichting mee. Knip stroken van 12 cm breed (naad van 1,5 cm inclusief)
– (6) treklinten: stroken van 5 cm breed: 1x 150 cm, 1x 100 cm en 2x 75 cm (in totaal 4 meter) uit één van de twee kleuren (!).
– (7) lussen voor de schouderlinten: in totaal 65 cm van elke kleur, stroken van 10 cm breed
– (8) vulling: 80 x 9 cm voor het heuplint en 2 maal 60 x 11 cm voor de schouderlinten. Knip de schouderlinten smaller vanaf 11 cm lengte om overeen te komen met de versmalling van de stof (zie foto).

Hieronder een voorbeeld van hoe je dit kan uitknippen. Je kan natuurlijk ook de stof en de patroondelen dubbelvouwen.

knipvoorbeeld bij stof van 140 cm breed

Bij het knippen van de patroondelen is het handig om de eerste uitgeknipte kleur op de tweede te leggen (zelfde stofkanten op elkaar), zo komen je naden later netjes overeen.

 

Wanneer je alle patroondelen hebt uitgeknipt, markeer je de naden en details met kleermakerskrijt.

Opmerking vooraf: de naden mag je altijd tesamen afwerken tegen het rafelen, tenzij er staat ‘strijk de naden open’. De zigzag functie van mijn naaimachine werkt niet goed dus de mijne zijn met rechte steken afgewerkt, maar een zigzag of interlock als je dat hebt is handiger tegen het rafelen.

We beginnen met de linten.

Heuplint: als je stof minder lang is dan 3 meter, stik dan eerst de korte kanten aan mekaar. Strijk de naden open en werk af. Doe dit voor beide kleuren. Leg dan de goede kanten van de stof op elkaar en stik de naden door tot 9 cm breedte. Stik één van de korte kanten schuin af voor het uiteinde van je lint, knip de overtollige stof weg en werk alle naden af tegen rafelen.

Schouderlinten: zet de stof met de korte kanten aan elkaar zodat je twee linten van minstens 2 meter hebt. Strijk de naden open en werk af. Doe dit voor beide kleuren. Leg dan de goede kanten van de stof op elkaar en stik de linten door tot 11 cm breedte op de eerste 22 cm, om dan te versmallen naar 9 cm breedte voor de rest van het lint. Het stuk van 11 cm breedte vormt de aansluiting aan de draagzak en wordt voor de eerste 11 cm weggewerkt in de zak, voor de stevigheid. Mijn schouderlinten waren 150 cm + 50 cm in de lengte en ik maakte het stuk van 11 cm breedte aan het begin van de langste strook van 150 cm, zodat de naad quasi altijd onzichtbaar is wanneer je de draagzak hebt geknoopt.

schouderlinten aan mekaar gezet

schouderlinten aan mekaar gezet

linten aan mekaar gezet

de linten

schouderlinten

verbreding aan uiteinde van het schouderlint
verbreding aan uiteinde van het schouderlint

uiteinde van de linten

uiteinde van de linten

Leg de vulling op de linten en duid met kleermakerskrijt aan tot hoe ver die moet komen. Laat voor de schouderlinten 11 cm van de brede strook vrij van vulling, dit stuk komt in je draagzak. Voor het heuplint betekent dit dat je het midden van de vulling gelijk legt met het midden van je lint en langs beide kanten aftekent. Draai de linten binnenste buiten (de goede kant naar buiten) en strijk ze goed plat langs de naden. Nu volgt een prulwerkje: de vulling erin steken. Begin met de schouderlinten. Rol het lint terug binnenste buiten op totdat je aan de streep bent gekomen. Zet op dit punt de vulling vast aan de stof met naald en draad en enkele steken en een stevige knoop. Rol dan de stof terug over de vulling totdat de vulling er helemaal in zit. Frutsel ermee totdat de vulling netjes plat in het lint zit (je moet de vulling eigenlijk een beetje ‘masseren’). Knip de steekjes die je maakte weer door. Doe hetzelfde met het heuplint. ‘Masseer’ totdat de vulling mooi in het midden zit. Dit is nog een groter foefelwerkje omdat de vulling hier in het midden van het lint moet komen maar houd moed, je zal een heerlijk zachte draagzak hebben. Strijk daarna de linten netjes plat, ook over de vulling.

voering uitgeknipt

leg de voering op de omgekeerde linten

leg de voering op de omgekeerde linten op 11 cm hoogte van de schouderlinten

markeer het einde van de voering op de stof

rol het lint weer naar de goede kant

maak de voering vast aan het lint met enkele stevige steekjes

Trek het lint weer naar de goede kant over de voering

Trek het lint helemaal over de voering

Trek het lint weer naar de goede kant over de voering

Trek het lint helemaal over de voering

Duw de voering in de stof totdat alles goed plat ligt

Strijk de linten mooi plat

Maak de andere kant van het heuplint af door schuin af te knippen, enkele steekjes van de naad los te tornen, de naden naar binnen te draaien, strijken en zo vast te naaien. Stik de linten door op 3 en 6 cm breedte, bij de dikkere gedeeltes moet je de stof soms wat door de naaimachine ‘helpen’. Stik de uiteindes nog eens door. Je linten zijn klaar!

de linten platgestreken

Knip het uiteinde schuin af en draai de uiteindes van het lint naar binnen

Stik de linten door op 3 en 6 cm breedte

De linten zijn klaar!

Treklinten: Deze maak je van de stroken van 5 cm breed. Begin met de linten dubbel te vouwen en dit goed te strijken. Plooi vervolgens de uiteindes naar binnen, zodat je een mooi lint van ongeveer 1,5 cm breed krijgt. Speld vast indien nodig, strijk opnieuw en stik aan weerskanten helemaal door. Stik heen en weer op het uiteinde om rafelen te voorkomen. Je treklinten zijn klaar!

Strijk het lint in de helft

Vouw de lange zijdes dan opnieuw dubbel

Strijk opnieuw plat

Vouw de linten dicht zodat ze 1,5 cm breed zijn
Vouw de linten dicht zodat ze 1,5 cm breed zijn

Stik door aan de open kant
Stik door aan de open kant

Stik door aan de andere kant
Stik door aan de andere kant

Lussen voor de schouderlinten: Maak deze lussen zoals de treklinten, van de stroken van 10 cm breed zodat je eindigt met linten van ongeveer 3 cm breed. Je gaat deze lussen bevestigen op 10, 20 en 30 cm hoogte van de schouderlinten, aan twee kanten tegelijk. Meet 10 cm vanaf het begin van de vulling in de schouderlinten (!! de eerste 11 cm komen straks in de draagzak te zitten ter versteviging). Speld het lussenlint op deze hoogte vast in het midden van het schouderlint, met de lange kant naar het begin van het schouderlint gericht. Speld het lussenlint van de andere kleur vast op dezelfde plaats en controleer of ze overeen komen. Naai dan het lint vast. Opgepast, bij dit stuk zijn mijn jeansnaalden gebroken. Ik laat de machine gewoon een lengte vooruit en dan weer achteruit naaien, niet te snel. Als dit vast zit, meet je 7 cm vanaf het stiksel en knip je de lussenlinten daar af. Plooi één van de twee lussen (best de kleur die je hebt gekozen voor je draad) om en vouw het uiteinde eronder, speld vast zodat je een lus krijgt, zorg dat het stuk aan de andere kant niet in de weg zit en naai vast. Draai nu het schouderlint om en zet de tweede kleur vast op hetzelfde stiklijntje. (Als je probeert om beide kanten tegelijk te doen komt het bijna nooit netjes uit, omdat je zo’n dik pak onder je naaivoet moet schuiven). Herhaal dit op 20 cm en op 30 cm van het uiteinde van het schouderlint, maar maak van de lus bij 30 cm een dubbele: in plaats van af te knippen op 7 cm naai je de lus eerst één keer vast, maak je een nieuwe lus van 7 cm en doe je dan de eindhandeling. Herhaal voor het tweede schouderlint.

Speld het lint vast op 10 cm van het uiteinde van het schouderlint

Speld ook de andere kant vast

Naai vast

Knip af op 7 cm

Plooi één kant naar binnen en naai vast

Naai ook de andere kant vast op de lijn van het stiksel

Voor de dubbele lus naai je eerst halverwege vast en knip je dan 7 cm af

De lussen zijn af!

De kap van de draagzak: De kap heeft aan weerskanten een schacht voor de treklinten, die je kan gebruiken om de kap als neksteun te laten dienen of om de kap omhoog te houden. De schachten zijn 2 cm breed en de stof moet bovenaan omgenaaid worden over die breedte. Begin met een knip aan weerskanten in de naad (zie foto). Sla de stof om, knip af tot 1 cm en zigzag tegen het rafelen. Stik ze netjes vast op 0,5 cm. Als je dit voor de beide panelen van de kap hebt gedaan leg je de goede kanten op elkaar en stik je op de naden, behalve de onderkant en de openingen van de schachten die je net hebt gemaakt. Knip het ronde deel enkele keren in. Keer de kap binnenstebuiten en strijk plat. Naai de schachten van het treklint op 2 cm breedte van de rand en werk af met het doorstikken van de afgeronde bovenkant van de kap op 0,5 cm. Trek er de twee treklinten van 75 cm door met behulp van een veiligheidsspeld. De kap is klaar!

Knip de naad van de kap in waar de trekschachten komen

Naai de kap vast aan 3 kanten, knip de naden in en draai om

Naai de schachten op 2 cm van de zijdes

Trek de linten door de schacht met een veiligheidsspeld en je bent klaar!

Draagzak: Start met het binnenstuk van de draagzak. Dit dient om extra versteviging te creëren voor het heuplint en treklint dat hier later door gaat. Werk de zoom van de horizontale kanten van het binnenstuk af tegen rafelen.  Leg het binnenstuk op het draagzak paneel met de goede kanten op elkaar en stik de zijnaden tot aan de hoeken van het patroon (dus niet helemaal doorstikken naar onder en boven). Knip in waar je naad stopt. Werk de naden af tegen rafelen. Draai binnenstebuiten en strijk de zijnaden plat. Stik door op 0,5 cm afstand van de rand. Doe dit voor beide delen.

Naai het gezoomde binnenstuk op het paneel van de draagzak

Knip in ter hoogte van het einde van de naad

Knip in ter hoogte van het einde van de naad

Knip in ter hoogte van het einde van de naad

De panelen zijn klaar met binnenstuk, keer ze weer naar de goede kant

Maak ook de uiteindes van de schacht voor het treklint onder de kap. Knip de naden in ter hoogte van het stukje tussen de kap en de schouderlinten (zelfde als bij de kap). Knip de naden tot op 1 cm, werk de uiteindes af tegen rafelen, plooi om en stik door op 0,5 cm van de rand. Knip de overtollige stof weg.

Naai de uiteindes voor de schacht op het paneel van de draagzak

Nu komt de grote finale: de assemblage van alle onderdelen!

Leg één van de twee draagzak panelen met de goede kant naar boven. Leg de kap hierop, bovenaan in het midden  met de zelfde kleuren tegen mekaar (tenzij je wilt dat de kap een andere kleur heeft dan de zak). Zorg dat de lintjes van de kap nergens op een toekomstige naad liggen. Leg de schouderlinten ook op het draagzak paneel, met de naad ter hoogte van het begin van de vulling, zodat er ongeveer 11 cm uitsteekt. Zorg dat de uiteindes naar buiten komen ter hoogte van het binnenstuk dat je eerder naaide. Leg de tweede kleur draagzak hierop met de goede kant naar binnen en zorg dat alles mooi op mekaar past. Speld alles netjes tesamen: de naad van de kap, de naden van de schouderlinten (opgelet, het stukje hier tussen niet stikken, hier komt nog een schacht voor een treklint!), de zijnaden tot aan het binnenstuk, de korte zijnaad onder het binnenstuk en de onderste naad. Opmerking: ik bedacht achteraf dat het misschien handig zou zijn om een lusje te hebben om de zak mee op te hangen zoals een jas. Als je nog een restje treklint hebt kan je dat hier in het midden van de kap steken. Stik alle naden door en werk af tegen rafelen. Knip naden van de rondingen aan de zijkant onder de schouderlinten enkele keren in. Draai dan binnenste buiten langs de openingen in het binnenstuk. Stik de naden door op 0,5 cm van de rand langs de zijkant en onderkanten (behalve het binnenstuk). Stik dan de laatste stukken: 2 cm onder de kap voor de schacht van het treklint, een vierkant met kruis (mijn vierkant is 8 x 8 cm) ter versteviging van de schouderlinten en de drie schachten voor het heuplint en het treklint. Die laatste doe je op 2 – 10 – 10 cm afstand, ter hoogte van het binnenstuk. Stop je heuplint erdoor et voilà, je draagzak is klaar!

Leg de kap op de goede kant van de stof, zelfde kleuren tegen mekaar

Leg de schouderlinten op de draagzak. Laat 11 cm overlappen bovenaan ter versteviging aan de binnenkant

Leg de tweede kleur op het andere paneel, goede kant naar binnen

Zorg dat de schouderlinten naar buiten komen via de dubbele binnenstukken van het paneel

Draai de zak binnenste buiten langs de binnenstukken

Stik de schachten door op 2, 10 en 10 cm

Stik de schouderlinten vast langs binnen, op 8 x 8 cm

Trek de treklinten door schacht met een veiligheidsspeld

Trek de treklinten door schacht met een veiligheidsspeld

onder het treklint zijn twee schachten voor het heuplint

Versteviging van de schouderlinten

Versteviging van de schouderlinten

Schacht voor een treklint onder de kap

Bevestiging van de kap aan de draagzak

De schouderlinten

De draagzak is klaar!

Draagtips:

Hoe ga je nu aan de slag met je draagzak? Hier enkele algemene en specifieke tips:

– voor kleine baby’s stop je het heuplint in de bovenste schacht, als je oogappel wat groter wordt kan je de zak ook groter maken met de onderste schacht. Het horizontale treklint halverwege kan je gebruiken om de zak smaller te maken. Het is belangrijk dat je baby altijd een breed zitvlak heeft met de beentjes in ‘kikkerhouding’ en de knietjes boven de poep.

– Zorg dat je baby ongeveer op ‘kushoogte’ hangt: je moet met je mond aan zijn hoofdje kunnen. Dat is belangrijk voor jouw ergonomie. Het dragen mag niet oncomfortabel aanvoelen! Experimenteer eventueel met de juiste hoogte.

– Zorg dat de linten zo min mogelijk verfrommeld zijn en je ze zo breed mogelijk gebruikt. Je baby mag ook goed strak aangetrokken worden zodat hij goed in de zak zit en je het gewicht dicht bij jou draagt.

Hoe de baby in de draagzak steken (oefen eerst met een knuffel als je je onzeker voelt):

– Bind het heuplint rond en maak vast met een dubbele knoop. Trek het treklint aan om de zak eventueel smaller te maken en maak vast met een lusknoop aan beide kanten.

Doe het heuplint om en maak het treklint smal genoeg voor de beentjes van je baby (van knie tot knie)

– Neem je baby op en zet hem met beide beentjes aan weerskanten van de zak, tegen je buik. Houd de baby ten allen tijde vast met één hand!

Zet de baby in de zak

Zet de baby in de zak

– Trek één schouderlint over je schouder en trek het kruiselings over je rug en onder het beentje van de baby. Wissel van hand en doe hetzelfde met het andere schouderlint. Trek goed aan. Nu kan je de linten een eerste keer goed vastknopen onder het zitvlak van je baby. Ofwel knoop je ze hier vast, ofwel kan je nog eens naar je rug doen en daar vastzetten met een dubbele knoop.

Trek het schouderlint over je schouder en kruiselings over je rug

Doe hetzelfde met het andere schouderlint

Doe hetzelfde met het andere schouderlint

Laat de schouderlinten onder de beentjes uitkomen en knoop vooraan met een strakke knoop

Zet de schouderlinten vooraan of achteraan vast met een dubbele knoop

– Je kan de kap smaller maken met het horizontale treklint. Je kan ook een neksteun maken door de kap wat op te trekken over de twee treklinten en die vast te zetten aan de lussen op de schouderlinten. Voilà, je bent klaar om naar buiten te gaan!

Maak de treklinten van de kap vast aan de lussen op de schouderlinten voor extra neksteun

Maak de treklinten van de kap vast aan de lussen op de schouderlinten voor extra neksteun

Klaar om op stap te gaan!

Opgelet, draagzak is comfortabel. Baby might fall asleep :-)

Ook papa’s staan prima met een draagzak!

Voor meer tips, rugdragen enz… verwijs ik graag naar een goede workshop door een gecertificeerde draagconsulent, in Brussel is dat bijvoorbeeld Myriam Drabs: hier en hier kan je checken wanneer er een sessie plaatsvindt. In Leuven heeft Doekjes en Broekjes ook workshops.

Veel plezier ermee!

Pear pie with cake filling

What is one to do with too much time on one’s hands and some very ripe pears plus a roll of shortcrust pastry that desperately needs to be used up in the fridge? That’s right, turn them into pear pie. The sliced pears (you could use apples or other fruit as well)  give this pie a refined look while really, it’s so easy to make.

Ingredients:

one roll of ready-made shortcrust pastry (quite easy to make yourself as well, if you have time! I have a recipe here, or use one of Martha Stewart’s)
185 gr soft butter
185 gr sugar
3 eggs (preferably at room temperature)
1 tsp vanilla extract
185 gr self-rising flour (or regular flour + baking powder)
4 ripe pears (I used Durondeau, but any kind will do)

1 pie plate (+/- 25 cm)

pear pie with cake filling

How to:

Take the shortcrust pastry out of the fridge, let it rest for a little bit, roll out or spread out and line the pie plate with the dough. If it’s home made, use butter and flour first to prevent sticking. Using a fork, poke some holes in the pastry.

Combine  butter and sugar in a large bowl. Use an electric whisk or stand mixer to beat them together until white and airy, don’t stop too soon. Add in the vanilla extract and eggs one by one and keep beating until combined.

Sieve the flour into the bowl and combine, don’t mix for too long this time, to prevent the dough from getting too ‘heavy’. Pour the dough into the prepared pie plate and distribute evenly with a spoon or spatula.

Preheat the oven to 175 degrees Celsius. Peel the pears, cut into four quarters, remove the core and slice lengthwise. Arrange the pear slices in a circle, pressing them into the cake dough. Start with one circle on the outside and then move on to the inside. I arranged the inner circle in the other direction for aesthetic reasons, though I doubt there’s a big difference in the end product. You may have to shift the outer circle a bit to fit in the inner one, depending on the size of the pie plate and the slices. When ready, pop into the oven for about 40 minutes, until a toothpick comes out clean of the cake center of the pie. The baking time may depend on your oven and on the juiciness of the pears. If it turns too dark, cover with some foil.

Let the pie cool on a rack, in its plate. Enjoy!

 

Vegetarian lasagna with lentil and zucchini

An often-heard complaint among vegetarians is that restaurants offer very little originality in their vegetarian fare, a meatless lasagna being among one of the more trite options. I don’t mind so much, as lasagna is usually quite enjoyable. I realize that there is already a vegetarian lasagna on this blog (over here) and for a more wintry version I will direct you to Jonge Sla’s scrumptious pumpkin lasagna (in Dutch), but this is a rather ‘quick and easy’ version, made with what happened to be available in my fridge, compared to the one where I have you skin bell peppers. It resembles meat lasagna quite well, thanks to the tomato and bechamel sauce. Suited for freezing as well!

veggie lasagna

Ingredients (makes 4-5 servings):

one big or two medium-sized onions, finely chopped
2-3 cloves of garlic, finely chopped1 zucchini, chopped in small pieces
5 tablespoons of small orange lentils (the kind you can put in soup as well)
white wine, for cooking
500 grams of diced tomatoes (canned or in brig)
olive oil
Provencal herbs mix, salt and pepper
45 grams of butter
45 grams of flour
0,8 liters of milk
nutmeg
block of Parmesan cheese and grate (or grated cheese)
8-10 lasagna sheets

How to:

Heat some olive oil in a large saucepan on medium fire. Add the onion and fry for a few minutes, until tender. Add the garlic, fry for another minute. Add the zucchini and season with Provencal herbs (don’t be frugal here), salt and pepper. Stir regularly. When the zucchini starts to get tender, add lentils and cover with a lid for a few minutes. Add a good swig of white wine, cover again for a few minutes (check regularly so it doesn’t burn). Add diced tomatoes, another swig of white wine and some herbs/salt/pepper, turn the fire down, cover with lid, and stir every now and then. The zucchini and lentils should slowly become completely tender. Meanwhile, preheat the oven to 200 degrees Celsius.

Veggie lasagna

In another saucepan, make the bechamel sauce: melt the butter on medium fire and add the flour. Stir together with a wooden spoon and let it ‘bake’ for a few minutes, until it starts to smell a bit like cookies. Be careful that it doesn’t burn, this will ruin the taste of your sauce (better start again if this happens). Add milk and use a whisk to stir vigorously, until the butter-flour mixture is completely dissolved. Let it heat on medium fire, whisking regularly, until the sauce starts to thicken and bubble. Season with nutmeg and salt, then turn off the fire. Make sure you keep whisking for a while so it doesn’t burn.

Scoop 1/4 of the tomato sauce into a baking dish (mine is 25 x 25 cm), ladle over 1/4 of the bechamel sauce. Sprinkle with a thin layer of Parmesan. Cover with lasagne sheets and repeat 3 more times. Add a thick layer of Parmesan and bake in the oven for 20-25 minutes, until golden brown. Let the dish rest for 10 minutes, then enjoy!

IMG_6598

Veggie lasagna  Veggie Lasagna

Veggie lasagna

Brussels endive, cashews and feta pie

Brussels endives are up there in the Hall of Fame of my favorite vegetables – right between eggplant and cherry tomatoes. I am a sucker for braised endives – the whole vegetable, sliced lengthwise and braised slowly – patiently! – in a heavy bottomed skillet with a little butter and a tiny bit of moisture, until tender and ready to melt on your tongue… hmmm. Unfortunately, not everyone (including my significant other) is an equally big fan of braised endives. It is in fact very much an acquired taste, due to the endives bitterness. This recipe is an attempt to spruce things up with some extra ingredients and introduce the endives into a more quiche-y concept. (also, I had some ready-made pie dough that was past expiry date and needed quick baking – oops). I meant to use pine nuts but found mine had in fact become rancid (double oops) and so I used cashews instead. I also used soy cream instead of regular cream to keep it a bit healthier, since there’s already butter and cheese in the dish. The result was delicious and I hope you’ll give it a try!

braise, baby, braise!
braise, baby, braise!

Ingredients (about 3-4 servings):

one portion of store-bought or home made pie crust (I used shortcrust pastry, but puff pastry would work as well)
a handful of cashew nuts
50 grams salted or unsalted butter
one red onion, finely chopped
2 garlic cloves, finely chopped
about 20 grams of fine sugar
4 stumps of Brussels endives, cut in half lengthwise
100 grams of feta cheese
250 ml of soy Cuisine cream (or regular cream)
2 eggs
salt and pepper to taste

How to:
Preheat the oven to 175 degrees Celsius. Roll out the pie crust in a regular-sized quiche pan (preferably a metal or porcelain one) and poke holes in the dough with a fork. Put a large heavy bottomed skillet on a medium fire (no grease!) and when hot, roast the cashews until golden brown. Pay close attention as this can advance quite quickly and the nuts will go black. Put the cashews aside, let them cool down and crumble them into bits. Heat a bit of butter in the skillet and add the chopped onion. Fry the onion in the butter and add the garlic after a few minutes. When the onion starts to become brownish, remove from the skillet and add to the cashews. Add some salt and pepper.

Put the rest of the butter in the skillet and let it melt. Sprinkle with sugar (I usually don’t use sugar on endives, but it helps to caramelize them in this case. If you dislike the bitterness you can always add more but I think it’s a shame to drown the delicate endive taste in sugar). Let it sit for half a minute, then carefully put the endives in the pan, flat side down.

Now comes the delicate part that will test your patience. Don’t turn up the fire too high, as the endives will burn and be ruined. Cover the skillet with a lid. Turn the endives around every few minutes. The inside of the skillet should contain enough moisture, if not, add a little bit of water. Let the endives braise for 15-20 minutes, until completely tender and slightly caramelized on both sides. Turn off the fire and try to restrain from eating them like this…

IMG_6458

Compose the endive in the quiche pan. Sprinkle with the cashews and onions and crumble the feta over them. Beat the eggs with the soy cream, add pepper and salt and pour over the endives. Bake in the oven for 30 minutes until golden brown. Let it cool a little.  Enjoy!

cashews and feta

Brussels endive pie with cashews and feta

 

Martha Stewart’s Asian Meatballs

Happy New Year everyone! May your 2015 be filled with love, luck and good food.

I’ve hardly made any resolutions this year, although cooking good food is always among them. Working in the house is still on the list, which explains my absence here for the past half year… Sorry about that, though I’m not making any promises I can’t keep until the house is done :-)

And don’t worry about the title of this post – I’m still a vegetarian, no changes on that front (in fact, I started replacing a lot of my dairy with soy products in 2014 and I plan on keeping it that way). I just made these meatballs for our New Year’s Eve party and they are always such a hit that I figured I had to share them. If you consider me a hypocrite now, you’re just giving me a good occasion to put my resolution not to care too much about others’ judgments into practice… On a more serious note: to all vegetarians out there (and to all those meat-eaters who feel the need to judge vegetarians): there is no Bible laying out the rules for being a ‘good’ vegetarian. So if you feel like having meat every once in a while, whether you like or don’t like eggs, dairy, or you can’t go without blue cheese, don’t let anyone tell you what’s right and what’s not. I had one of these yummy meatballs on the very edge of 2014 and I expect I won’t be eating any more meat until at least halfway 2015 (oh barbecue season, still can’t resist those merguez). Any diminishing of meat and animal products on your plate is a contribution toward a better environment… Anyway, time for the recipe!

This recipe is from Martha Stewart’s hors d’oeuvres bible (if you can lay your hands on it, don’t hesitate to buy!). I’ve adjusted it a bit more in keeping with Belgian meatball tradition and added eggs and bread-crumbs.

For a big platter of meatballs that will satsify at least 10 people (as a hors d’oeuvre):

about 750-800 grams of mixed ground meat (pork – veal – beef, all fine)
a bunch of fresh coriander, leaves finely chopped
one egg
one medium size or two small shallots, finely chopped
3 cm of ginger, finely chopped or grated
2 teaspoons of regular soy sauce
bread-crumbs (paneermeel)
salt and pepper
for the sauce:

two cloves of garlic, finely chopped
3 cm of ginger, finely chopped or grated
1 heaping teaspoon of corn starch (maïzena, the yellow package)
200 ml of chicken stock (I just add one cube of chicken stock to water and mix it in the sauce afterwards – laziness prevails)
2 teaspoons of regular soy sauce
2 teaspoons of dark brown sugar
a hint of chili paste (harissa, for example, but anything spicy will do)

How to:

Mix all the ingredients for the meatballs in a big bowl with a fork. Add salt and pepper to taste, and bread-crumbs until the meat is not too greasy and can be rolled into balls easily. I usually add at least 2-3 tablespoons, but this can really depend on your ground meat mix. Roll into 2-3 cm bite-size meatballs.

Put a large heavy pan on a medium fire. Add a little bit of oil for the first batch (afther that, there’s enough grease). Bake the meatballs until they’re completely baked in the middle – 15 to 25 minutes, depending on the size of the meatballs. Shake the pan every few minutes to let them brown evenly. Meanwhile, mix the corn starch with two teaspoons of water in a glass.

Once the meatballs are done, leave the pan on the fire and add the chopped garlic and ginger. Let them bake for about a minute, don’t let them become too black though. Add the chicken stock (this is where you’ll be making sure the stock cube gets dissolved) and stir loose the baked bits on the pan. Stir in the soy sauce, brown sugar and chili. Let the sauce heat up and when it’s boiling, add the corn starch and let it thicken for a minute. Then spread the sauce over the meatballs. Serve with toothpicks and enjoy!