Acht dingen die mij helpen tijdens de lockdown

Acht dingen die mij helpen tijdens de lockdown

Hoe ik probeer om deze periode draaglijk tot zelfs aangenaam te maken

41 dagen zitten we intussen in deze – bij alle gebruikelijke maatstaven – absurde situatie. De lockdown-die-geen-lockdown is, de quarantaine, de corontaine: ik ben het zelfs beu om er gekke namen voor te verzinnen. Iedereen is het beu en het gebrek aan perspectief voor iedereen, en ouders van jonge kinderen in het bijzonder, is vooral killing. Zowat alles levert schuldgevoel op: niet genoeg kunnen doen voor het werk, je geduld verliezen met je kinderen, je geduld verliezen met je partner. En dan is er nog het schuldgevoel over het feit dat ik zaag en klaag, terwijl zoveel andere mensen het duidelijk nog veel erger hebben zonder tuin, zonder ruimte, zonder brede trottoirs, zonder stabiele gezinssituatie, zonder partner, zonder broertjes of zusjes… You get the picture.

Maar goed, we moeten ook proberen om positief te blijven. Er zijn veel goede dingen en ervoor kiezen om daarop te focussen helpt. Het helpt echt om je aandacht bewust te besteden aan wat er wél goed is, waar je wel plezier uit kan halen, wat deze periode draaglijk tot zelfs plezant maakt. Dus bij deze: acht dingen die de corontaine voor mij draaglijk maken. Ik ben benieuwd naar die van jullie.

1. Blijven sporten op mijn vaste tijdstippen.

Normaal ga ik sporten op woensdag- en zondag middag met Friskis & Svettis Brussel en hoewel ik me daar al eens voor moet oppeppen van tevoren, doet het altijd gigantisch deugd om helemaal op te gaan in zo’n sessie en voel ik me achteraf fysiek en mentaal empowered. En mijn spiermassa groeit er van, dat is ook een fijn neveneffect. Ik heb vanaf de eerste week geprobeerd om die twee vaste dagen aan te houden: op woensdag middag doe ik nu één van de YouTube sessies die de instructors online hebben gezet.

20 km van Brussel - ontspanning door lopen
In andere tijden: de 20 km van Brussel, 2015

Hoe langer de lockdown duurt, hoe meer ik me moet motiveren om vast te houden aan die afspraak, en dat lukt vooral omdat ik weet dat het iedere keer geweldig voelt achteraf. Op zondag ga ik nu een uurtje lopen, initieel nog in de vage hoop dat de 20 km van Brussel zou mogen doorgaan, intussen gewoon uit gewoonte, en als mentale opkikker. Het Josaphatpark is me wel veel te druk en stresserend geworden om te joggen met de nodige social distance, en stress is niet echt what it’s about, toch? Dus ik was opgetogen dat deze week werd aangekondigd dat Schaarbeek een joggersparcours zal voorzien om hier aan tegemoet te komen! Allen daarheen (maar niet allemaal tegelijk aub ;-)).

2. “in the moment” zijn met de kinderen

Dit was één van mijn voornemens voor 2020. In de cursus ‘Baas Over Eigen Tijd’ van Werk & Leven moest ik als huiswerk een week lang al mijn activiteiten registreren. Eén van de dingen die ik daaruit leerde is dat ik best veel tijd doorbreng met mijn kinderen, maar dat eigenlijk vaak vooral frustratie opleverde omdat ik dan op dat moment iets wilde doén of bezig was met mijn GSM, terwijl zij wilden spelen… Confronterende vaststelling, dus ik besloot om zoveel mogelijk “in the moment” aanwezig proberen te zijn als ik met hen bezig was en de GSM wat vaker weg te leggen. Wist ik veel dat ik héél veel kansen ging krijgen om dat voornemen waar te maken dit jaar….

Ik besef dat niet iedereen momenteel die luxe heeft, maar ik vind het toch een verrijking en een opluchting om in deze lockdown met hen bezig te zijn en bewust niét te multitasken. Vaak vraag ik me af hoe we over enkele jaren op deze periode zullen terug kijken. Tenslotte zijn wij als Millennials een generatie ouders die veel belang hecht aan tijd doorbrengen met de kinderen en krijgen we daartoe nu ongevraagd volop de kans. Ik probeer echt te kijken, aanwezig te zijn en ik zie mijn peutertje op zes weken tijd gigantische verbale stappen vooruit zetten, ik voer filosofische gesprekken met mijn zoon over de oerknal… Ik heb het gevoel dat deze periode onze band verder verdiept, ondanks het soms op elkaars lip zitten en het gevoel om niks gedaan te krijgen.

3. Ruimte geven aan mijn innerlijke Monica Geller / Bree Van de Kamp

Monica Geller uit Friends en Bree Van de Kamp uit Desperate Housewives zijn twee tv-personages waar ik mijn liefde voor koken en bakken mee deel, maar absoluut niet mee overeenstem wat betreft hun neurotische kantjes. Bree heeft de gewoonte om zich te verliezen in extreem koken en bakken als haar problemen te veel worden, en dat vluchtgedrag herken ik wel een beetje. Iets als brood of gebak uit de oven toveren is tenslotte een soort van immediate gratification, waar je begint met simpele ingrediënten en eindigt met een product waar je zelf en anderen blij van worden, zeker als je zoon dan zegt dat je “de beste koker van de hele wereld” bent. Ik heb niet voor niks een kookblog, hein.

Maar tot mijn verbazing kan ik – gewoonlijk de sloddervos en hoarder van dienst – nu ook plezier scheppen in de kleine (of grote) OCD-kantjes van de beide vrouwen. Zo vergroot systematisch de stapel in onze kelder voor als Brussel Verniet weer open gaat, ruimde ik al verschillende kasten uit en heb ik mijn hele kruidenkast uitgerommeld, een deel weggedaan (!), ingedeeld volgens categorie en frequentie van gebruik én alles met kleuren en nummers gecodeerd om binnenkort die roze bessen wél terug te vinden als ik mezelf een gin tonic inschenk. Move over, Marie Kondo (haha.)

4. De herontdekking van yoga

Yoga en ik hebben een haat-liefde relatie. Rationéél weet ik dat yoga me goed doet. Maar mijn fysiek geheugen herinnert me altijd aan het gevoel dat ik kreeg de eerste keer dat ik ooit een warrior pose moest doen, een ongemakkelijk wriemelen en draaien en zweetvoeten die wegschuiven op een matje.

Tijdens mijn tweede zwangerschap wilde ik het opnieuw een kans geven en schreef ik me in voor prenatale yoga. Nadat de lesgeefster, zelf zwanger van een tweeling, moest afhaken, kregen we de fantastische Linda Chong als lesgeefster. Linda kan op één of andere manier je lichaam lezen en corrigeert je, past de oefeningen aan aan je lichaamstype… elke yogasessie met haar is tegelijk eenvoudige relaxatie en een echte workout.

Linda gaf ook een nieuwe cursus postnatale yoga (mét baby) in ons gemeenschapscentrum na mijn bevalling en zonder aarzelen schreef ik me in. Toen ik daarvan ‘afgestudeerd’ was, wilde ik graag haar cursussen blijven volgen, maar ik slaagde er maar niet in om me op donderdag middag vrij te maken om in de yogastudio te geraken waar ze les geeft.

Toen de lockdown begon ging ik op zoek naar manieren om te kunnen ontspannen. Ik kwam – zoals vele anderen – terecht bij Yoga With Adriene op YouTube, die een gigantisch gamma aan leuke yogavideo’s heeft. Maar ook Linda gaf vorig een Facebook Live bij Radiant Light Yoga en zo kwam ik ertoe om haar te boeken voor een privé online sessie. Zelfs door een scherm en  met beperkte video opties weet ze mij in de beste posities te wringen. Coro-yoga: ik kan het iedereen aanraden.

5. De Mol

Nu Netflix 16 miljoen extra gebruikers heeft dankzij de lockdown en de hetze over Tiger King, geniet ik extra van programma’s die je niet kan bingen of doorspoelen. Een stokpaardje van mijn moeder, die mijn generatie graag aanwrijft dat ze niet meer kunnen wachten. Ik keek de voorbije weken zó hard uit naar De Mol op zondagavond en ik zal oprecht treurig zijn als het voorbij is vanavond. Al ben ik ook wel heel benieuwd wie deze keer de saboteur blijkt te zijn.

6. Aardbeien en asperges

Ik werd oprecht gelukkig van het eerste bakje heerlijke zoete Belgische aardbeitjes dit jaar. Ik ben elk jaar blij als de aardbeien hun intrede doen, maar dit jaar smaken ze me nog meer. De kruidenier bij ons op de hoek heeft altijd goedkopere bakjes met kleinere vruchtjes, terwijl dat net de lekkerste zijn. Ze zijn zalig bij de yoghurt met granola als ontbijt, in een slaatje met kerstomaatjes en basilicum, of bij een heerlijk vanillleijsje als dessert… So, so good.

Ook de asperges van eigen bodem smaken me enorm. Ik maakte ze al klaar met pasta en zeekraal en à la flamande. Genieten van het witte goud. De schillen vries ik in om binnenkort soep van te maken. Do remember they can’t cancel the spring.

Lente Josaphat
Do remember they can’t cancel the spring

7. Rust in het groen

Doorgaans ben ik een stadsmus en maak ik bitter weinig natuurwandelingen. ’t Is niet dat mijn ouders het niet geprobeerd hebben, maar ik ben gewoon niet het type dat in mijn vrije tijd blij wordt van bossen en natuurparken. Ik ga liever cultuur en architectuur opsnuiven in een museum of Europese stad.

Door de quarantaine is genieten van groen echter een goed geworden waarvan we niet beseften dat het ooit zo schaars zou zijn. Ons Schaarbeekse Josaphatpark is zo druk dat ik me er eigenlijk niet op mijn gemak voel, ik moet de hele tijd roepen naar mijn kinderen dat ze afstand moeten houden, aan de kant gaan… terwijl sommige anderen zich er weinig van lijken aan te trekken, wat de frustratie alleen verhoogt.

Daarom ben ik zo blij dat we onze elektrische longtailfiets hebben waar we de twee kinderen kunnen opladen en een plekje in het groen gaan ontdekken waar het veel rustiger is. Het Meudonpark in Neder-Over-Heembeek was bijvoorbeeld een geweldige ontdekking, en ’t Moeraske in Evere was ook heel fijn (hoewel het daar ook nog vrij druk was op een zonnige namiddag). Ook het Albertpark, dichtbij, is een pak rustiger. En zelfs het mooie plein voor onze deur kan dienen om rondjes te crossen, als er even niet te veel mensen zijn. En als de kinderen heel even vrij kunnen rondlopen, kan ik een momentje écht ontspannen.

8. De WhatsApp groepjes met vrienden en familie

Er wordt wat afge-WhatsAppt deze dagen. Een paar argeloze uren zonder GSM levert soms meer dan 80 berichten op om bij te benen. Ik vind het vooral erg fijn om eens tegen mekaar te kunnen klagen met de nodige humor, om inzichten uit te wisselen, herkenbaarheid te vinden in situaties van anderen, of (en vooral) foto’s en filmpjes van de kinderen en al onze baksels te swappen. Een privé Instagram, als het ware.

Stoefen met bakselfoto’s op de familie-WhatsApp

En jullie, wat helpt jullie om deze periode door te komen?

Popcorn: naturel, met karamel en chocolade of als Shaun het Schaap

Popcorn: naturel, met karamel en chocolade of als Shaun het Schaap

Een ode aan de meervoudige entertainende kwaliteit van popcorn

Popcorn! Nostalgie, eenvoud, bioscoop, zalig met karamel en chocolade, die hilarische eekhoorn uit Ice Age… Veel dingen komen spontaan in mij boven als ik aan popcorn denk. Wij gingen aan het poffen en maakten er een deluxe karamel-chocoladeversie en een schattige Shaun het Schaap van. Tip: als de Paasklokken toch iets te gul waren, ben je ook in één keer van je overvloedige paaseieren af!

popcorn toerisme
popcorn toeristen

De eerste weken van de corontaine had ik last van een bizar soort FOMO (fear of missing out): ik werd langs alle kanten overstelpt met ideeën om te doen met kinderen en ik werd een beetje nerveus over het feit dat ik dat niet allemaal ging kunnen uitvoeren. How could I be more wrong, hahaha. Om de chaos in mijn hoofd wat te organiseren hield ik een Google Keep-lijstje bij met alle leuke ideeën die bij me opkwamen of die ik voorbij zag komen. Eitjes blazen en beschilderen, bijvoorbeeld, of deze superleuke tekenopdrachten. En ook: popcorn poffen. Zo’n typische activiteit die leuk is om met kinderen te doen, herinner ik me uit mijn eigen kindertijd.

Al wat je nodig hebt voor popcorn is een kookpot met redelijk dikke bodem, een likje plantaardige olie (bv. zonnebloem) en maïskorrels. Een pot met een glazen deksel is extra leuk, want dan kan je het ook echt POP zien doen! Entertainment. Het is vrij simpel: zet de pot op een middelhoog vuur, doe er een scheutje olie in, een flinke schep maïskorrels en wacht. Schud regelmatig met de pot zodat de korrels niet aanbranden en wacht tot ze ploffen. Nu het deksel er niet meer afnemen! Als het ploffen gradueel minder wordt zet je op de duur het vuur af en wacht je tot het helemaal gedaan is.

Je kan de popcorn zo opeten (eventueel in de zetel bij een leuke film), dat is het gezondste. Wij dopten vroeger onze popcorn in een eierdopje met poedersuiker, eventueel op smaak gebracht met een druppel appelsap. Persoonlijk eet ik mijn popcorn graag zout. Maar je kan het ook nog een niveautje hoger tillen als karamel-chocoladepopcorn, of er een knutselvervolg aan breien!

Karamel-chocolade popcorn

Ik bracht drie jaar van mijn tienerjaren door in de VS en daar hadden ze naast veel ongelofelijk slechte chocolade (I’m looking at you, Hershey’s) ook veel lekkere snacks. Als ik terugdenk aan de chess koekjes van Pepperidge Farm loopt het water me in de mond… Er was ook een winkeltje in het Rehoboth Outlet Center waar wij soms gingen shoppen waar ze Moose Munch popcorn van Harry & David’s hadden. Man, wat was dat lekker. In mijn herinnering betrof het een doorschijnend plastic zakje met een rendier op de buitenkant en aan de binnenkant een goddelijke mix van karamel, nootjes, chocolade en popcorn.

chocolade karamel popcorn

Zoveel jaren later heb ik dus geprobeerd om die popcorn na te maken, met succes zou ik durven zeggen. Het moeilijkste is de houdbaarheid: de karamel wordt na verloop van tijd wat zacht terwijl de chocolade toch altijd een heel klein beetje blijft smelten in je hand. Harry & David hadden daar ongetwijfeld een oplossing voor, maar ik zou zeggen: gewoon snel opeten, je vingers aflikken en dan is er geen probleem. Toch?

Het recept van de karamel-chocolade popcorn

chocolade karamel popcorn

Ingrediënten:
– popcorn, ongeveer anderhalve liter (zie hierboven) verdeeld in drie gelijke delen
– anderhalf kopje fijne witte kristalsuiker
– een kopje smeltchocolade in brokken of druppels (ik heb het liefst Callets, anders in stukjes gebroken donkere chocolade). Kan ook handig zijn om van je overvloedige paaseieren af te geraken!
– eventueel geroosterde noten (bv amandel of hazelnoot) of amandelschilfers voor in de karamel

Benodigdheden:
– een (steel)pan met dikke bodem om de karamel in te smelten
– een houten lepel
– iets om de chocolade au bain-marie in te smelten, bv. een steelpan met water en een glazen schaaltje dat erboven kan hangeno
– een bakplaat bekleed met bakpapier

Voor je begint, een waarschuwing: gesmolten suiker of karamel wordt héél heet. Wees super voorzichtig en laat je kinderen hier niet bij helpen! Wie al eens naar de Bake-off kijkt weet dat zelfs de beste hobbybakkers hun handen lelijk verbranden aan karamel. Kom niet in de verleiding om aan de vers gestorte karamelpopcorn te komen behalve met een lepel!

Voor de karamelpopcorn:

Doe de suiker in de steelpan op middelhoog vuur. Wacht en roer niet. De suiker begint vanzelf te smelten als het heet genoeg is. Dan kan je wat schudden met de pan om de suiker eventueel gelijkmatig te laten smelten of roeren met de lepel. Als alles gekarameliseerd is en goudbruin kleurt, doe je een derde van de popcorn en alle noten erbij. Let op, dit gaat plots snel dus erbij blijven is de boodschap. Goed mengen met de houten lepel totdat alle popcorn bedekt is en uitstorten op de helft van de bakplaat, de brij een beetje afplatten zodat het geen hoopje is en voor de rest laten afkoelen en afblijven. De overgebleven karamel plakt aan je pan, maar is met heet water makkelijk af te spoelen eens hij gestold is.

Voor de chocoladepopcorn:

Doe de chocolade in de au bain-marie pan. Smelt op een laag vuur. Meng een derde van de popcorn erin. Als alle popcorn goed bedekt is met chocolade stort je dit uit op de andere helft van de bakplaat. Als de karamelpopcorn afgekoeld is en de chocolade niet snel genoeg stolt naar je zin kan je die even apart in de koelkast zetten (karamel niet in de koelkast doen, die stolt vanzelf).

karamel en chocolade popcorn op een bakplaat

Meng als alles gestold en droog is de karamel, chocolade en overgebleven derde van de naturel popcorn. Bewaren kan eventueel enkele dagen in een luchtdichte trommel. Ook ideaal als cadeautje in een cellofaanpapiertje. Filmavondje doen, iemand?

Shaun het Schaap knutselactiviteit

Ik had dit ideetje ooit op een Pinterestbord gepind en onze oudste, die intussen zelf ook Pinterest-savvy is (“ik heb dit fotootje even bewaard he mama”) had zijn idool Shaun het Schaap herkend en drong er dus op aan dat we dit eens zouden knutselen. Zo gezegd, zo gedaan.

Shaun het Schaap knutselen met popcorn

Benodigdheden:
– naturel popcorn (of chocolade, dan heb je een zwart schaap)
– plastic zakjes of cellofaanpapier (wij deden het met puntzakjes waarvan we de punten wegmoffelden met wat plakband)
– een stukje stevig wit tekenpapier
– een zwart kleurpotlood
– lijm type Velpon of alleslijm (of een nietjesmachine)
– plakband

Teken het gezicht van Shaun het Schaap op het papier, kleur in en knip uit. Je kan dit uiteraard ook opzoeken en printen, maar zelf maken duurt langer (lees: vult meer tijd), is ook heel leuk om te doen en net dat tikkeltje authentieker. Vul het zakje met popcorn of knip een cirkel uit cellofaanpapier en doe daar een handjevol popcorn op. Plak dicht met plakband zodat je ongeveer een schapen-romp-vormig zakje hebt (een platte bol dus). Plak hierop het uitgeknipte hoofd van Shaun met een beetje lijm. Et voilà. Ook dit is leuk als cadeautje, om uit te delen voor een verjaardag bijvoorbeeld!

Zuurdesembrood voor beginners: lekker veelzijdig

Zuurdesembrood voor beginners: lekker veelzijdig

Ik vertelde al hoe de corontaine mij ertoe aanzette om te beginnen experimenteren met fermentatie van rode (zuur)kool. Intussen is de rode kimchi bijna op (om nom nom) en staat er ook een pot met bloemkool en wortel op het aanrecht te broebelen. Maar er is nog een techniek waar mijn innerlijke keukenprinses slash experimentator blij én zen van wordt: desem. Je kan er heerlijk zuurdesembrood mee bakken en dat is helemaal niet zo moeilijk als het lijkt! Hieronder vind je een handleiding om het zelf te maken, from scratch. Het enige wat je nodig hebt naast water en meel? Tijd en geduld. En laat dat er nu net, voor één keer, in overvloed zijn bij velen onder ons.

Zuurdesem is net als gist, bakpoeder of dubbelkoolzure soda in essentie een rijsmiddel dat luchtigheid in je brood of baksels brengt. Daarnaast is dit specifieke rijsmiddel ook een smaakmaker – vandaar het ‘zuur’ in de naam. Laat je daardoor echter niet afschrikken: de zurige connotatie is vooral gelinkt aan het traditionele roggebrood (jeweetwel, dat donkerzwart baksteenbrood dat je at met magere kaas en tuinkers om niet te veel punten te sprokkelen tijdens een Weight Watchers-kuur). Je hebt de zuurheid van je desem ook vooral zelf in de hand door de mate waarin je de desem laat fermenteren, op welke temperatuur, enz. Allemaal dingen waarmee je volop kan gaan experimenteren eens je de basics onder de knie hebt.

Ik begon een hele tijd geleden voor het eerst met zuurdesembrood bakken na een vakantie in Frankrijk waar ik heerlijke pain au levain at. Niet veel later lanceerde De Standaard een reeks rond zuurdesem met een gratis zuurdesemstarter bij de krant. Daarmee bakte ik voor het eerst een zuurdesembrood met de uitstekende instructies van Sarah Lemke. Na een paar maanden ijverig brood bakken taande mijn enthousiasme wat, want combinatie met kind en voltijdse job enal, en bleef de zuurdesemstarter nog een hele tijd wegkwijnen ergens achterin mijn koelkast.

Mijn eerste zuurdesembrood (met een tikkeltje instantgist om de nieuwe starter een handje te helpen).

Enter corontaine en het idee om zelf weer aan het brood bakken te gaan, nu we thuis 4 monden moeten voeden en we liever niet elke dag naar de bakker gaan (ik moet momenteel ook nog op een mogelijke allergie letten, wat het allemaal nog iets lastiger maakt om buitenshuis brood te kopen). Ik was duidelijk niet de enige met dit lumineuze idee: in elke supermarkt waar ik kwam sinds de start van de lockdown was het rek van de bloem angstaanjagend leeg gehamsterd, op een zieltogend pakje witte patisseriebloem of een doos quinoa-, teff- lupine- of een ander exotisch meel na.

Gelukkig had ik voor de lockdown nog nietsvermoedend 2,5 kg goeie volkoren tarwemeel ingekocht die nu goed van pas kwamen. Hiermee begon ik mijn zuurdesemstarter, volgens de aanwijzingen van Xandra Bakt Brood. Simpelweg doe je dat als volgt.

Zuurdesemstarter maken

Ingrediënten:
Gebruik een broodmeel naar keuze. Het meel zal mee de smaak van de starter en het brood bepalen, maar je kan bijvoorbeeld starten met tarwe en later spelt toevoegen, of rogge, of vice versa…

Dag 1:
Meng 50 gram meel met 50 gram lauw water in een afsluitbaar plastic of glazen potje dat je eerst hebt omgespoeld met heet water (om eventuele afwasmiddel residu te elimineren). Goed roeren* tot het gemengd is en op kamertemperatuur afgedekt laten staan. Als het té koud is zal het niet goed van start gaan, dus mijd tochtige bijkeukens of kelders.
*Volgens sommige mensen die er meer van weten dan ik moet je metalen instrumenten mijden. Anderen zeggen dan weer dat dit niet nodig is. Ik meng meestal met een plastic lepel of siliconen pannenlikker.
Dag 2:
Voeg 50 gram meel en 50 gram water bij je starter. Goed mengen en terug afdekken. Ik doe zelf de starter niet elke dag in een nieuw potje, maar om de paar dagen, als er al wat meel aan de zijkant is blijven plakken.
Dag 3:
Voeg 50 gram meel en 50 gram water bij je starter. Goed mengen en terug afdekken.
Dag 4:
Voeg 50 gram meel en 50 gram water bij je starter. Goed mengen en terug afdekken.
Dag 5:
Voeg 50 gram meel en 50 gram water bij je starter. Goed mengen en terug afdekken.
Je zou gaandeweg moeten zien hoe je starter stilletjesaan begint te leven: er komen voorzichtig belletjes aan de oppervlakte. Dat is de bedoeling!
Op dag 5 is volgens Xandra je zuurdesemstarter klaar, maar naar ze aanraadt en ik zelf ook ondervond is het geen overbodige luxe om voor je eerste brood een tikkeltje (1 gram) instantgist toe te voegen. Je kan beginnen met brood bakken, yes!

Zuurdesemstarter gebruiken, bewaren en onderhouden

Je kan de zuurdesemstarter uit het bovenstaande recept onmiddellijk gebruiken voor brood. Als je een deel van je starter afneemt, kan je hem daarna best ongeveer even veel voeding teruggeven, de helft water en de helft meel. Je kan je starter prima in de koelkast bewaren en één keer per week een lepel meel en een lepel water geven.

Wil je je koelkaststarter gebruiken voor een broodrecept, dan haal je een halve dag van tevoren (ongeveer 8-10 uur) een deel van je starter af en doe je die in een proper afsluitbaar potje. Je voegt hierbij het dubbele aan meel en water toe (1:2:2). Dus voor 160 gram starter in het recept hieronder gebruik je ongeveer 32 gram koelkaststarter, 64 gram meel en 64 gram water. Goed mengen en afgedekt laten staan op kamertemperatuur tot het flink aan het broebelen is.

Flink actieve zuurdesemstarter na 8 uur op het aanrecht

Zuurdesembrood bakken

Ik testte enkele broodrecepten uit en hetgeen mij het beste ligt is dit van The Clever Carrot. Ik gebruik altijd volkoren tarwemeel, vaak aangevuld met ongeveer 1/5 witte patisseriebloem (de hamsters waren weg met de rest, weet je nog) of een mix van (volkoren) spelt, tarwe en witte bloem. De eerste keer gebruikte ik enkel volkoren tarwemeel, maar dan heb je echt een heel donker brood. Je kan hiermee zelf wat experimenteren tot je een verhouding vindt die je lekker vindt, of voor kant-en-klare broodmixen kiezen natuurlijk.

Ingrediënten en benodigdheden
160 gram actieve zuurdesemstarter (zie hierboven)
260 gram lauw water
25 gram olijfolie
500 gram broodmeel
10 gram zeezout
grof maïsmeel of semolina, voor het bestuiven van de onderkant

Een gietijzeren pot (ik heb een superfijne Staub pot) die dienst doet als Dutch oven en een deegschraper (niet met een handvat zoals een pannenlikker, maar zo’n rechthoekig afgerond exemplaar) zijn o zo handig maar niet volstrekt onontbeerlijk. De gietijzeren pot zorgt ervoor dat je brood de eerste 20 minuten in een voldoende vochtige omgeving zit en geeft ook een heerlijk korstje. Een pizzasteen of goede bakplaat en (hittebestendig) kommetje water in de oven kunnen daar eventueel ook voor zorgen als je geen gietijzeren pot ter beschikking hebt.

Begin met de zuurdesemstarter te mengen met het water en de olijfolie. Voeg het broodmeel en zeezout toe, meng tot er geen droge enclaves meer zijn en laat het geheel dan 30 minuten staan (dit proces heet autolyse).

Na 30 minuten kan je het mengsel verwerken tot een bal. Lange tijd kneden hoeft niet. Leg de bal terug in de kom en trek er plastic folie en een propere keukenhanddoek over. Laat een nacht rijzen in de koelkast, in een onverwarmde ruimte of buiten, of op het aanrecht als je huis niet te warm is. Hoe warmer de temperaturen, hoe korter dit proces duurt, en hoe meer je het kan vertragen door af te koelen. Je kan het dus ook overdag doen en in het oog houden wanneer het deeg ongeveer anderhalve keer zo groot is als in het begin. Tijdens deze fase kan je het deeg ook ‘stretchen’ om het extra volume te geven: rek het deeg voorzichtig wat uit en vouw het over zichzelf heen. Draai de kom een kwart en herhaal een uur later (dit is optioneel).

Flink gerezen brooddeeg

Als je deeg mooi gerezen is, ga je er een brood van maken. Haal het deeg met je deegschraper uit de kom en leg het op een lichtjes met bloem bestoven werkvlak. Nu vouw je een soort van enveloppevorm, om die op het einde om te rollen zodat de naden onderaan zitten. Je neemt een kant van het deeg, trekt die wat uit en rolt naar binnen. Dan doe je hetzelfde met de zijkanten en bovenkant, totdat je een soort pakketje hebt met een bolle onderkant. Dit rol je dan met behulp van een deegschraper over tot een mooie bolvorm. Sarah Lemke doet het ietsje anders maar geeft een goede uitleg in het filmpje van De Standaard hierboven, of anders is YouTube je vriend (hier een goed voorbeeld).

Deeg dat rijst in de Dutch oven / gietijzeren pot, boven de verwarming in mijn geval

Strooi wat maïsmeel in je gietijzeren pot en leg het gevormde brood erin, met de naad aan de onderkant. Strooi er bloem over of eventueel een mengeling van zaadjes. Je kan je pot eventueel voorverwarmen, maar als je een warme plek in huis hebt dan hoeft dit niet. Laat het deeg één tot twee uur rijzen op een warme plaats met het deksel op de pot, totdat het mooi bol is. Verwarm tegen dan de oven voor op 250 graden of zo hoog mogelijk (mijn persoonlijke ervaring met meer dan 250 graden zijn niet zo goed).

Maak een ondiepe snede in het brood met een scherp mes. Je kan hier je creativiteit aanspreken en een Z, X of I-patroon… zetten. Zet de pot met het deksel erop in de oven en laat 20 minuten bakken. Verlaag de temperatuur dan naar 225 graden en haal het deksel van de pot (opgepast, heet! Gebruik zeker goede handschoenen want je verbranden aan deze temperatuur is pijnlijk). Bak nog 35-40 minuten, totdat de onderkant van het brood hol klinkt of totdat een kookthermometer 95 graden geeft voor de binnenkant van het brood. Haal de pot uit de oven en laat het brood afkoelen op een rooster. Beleg met iets lekkers en wees trots op je broodcreatie from scratch!

Mmmmmmmm

Een woordje over timing

Het grootste ‘nadeel’ van zuurdesembrood is dat het veel tijd vergt om te maken: van het moment dat je de starter voedt totdat je je tanden in een boterham zet duurt het ongeveer 24 uur. Maar dat hoeft niet per se een nadeel te zijn. De verschillende stappen vergen immers weinig werktijd, je hoeft niet lang te kneden, dus alles is ook goed te doen zonder machines. Je kan de tijd ook zelf een heel stuk manipuleren door je deeg op een warmere of frissere plaats te laten rijzen – ik las zelfs al dat mensen hun brood 24 uur of meer laten rijzen. Een zuurdesemstarter in de koelkast is ook heel vergevingsgezind: vergeet je hem een paar weken of ga je met vakantie, dan geef je hem daarna gewoon weer een paar dagen voeding en verrijst hij als een feniks uit zijn, euh, verzuurde staat.

Mijn timing voor brood tegen de middag is ongeveer als volgt:

‘s Middags haal ik de starter uit de koelkast en geef ik hem voeding volgens de 1:2:2 regel. Dit mengsel laat ik op het aanrecht staan.
Tegen de avond check ik of het goed aan het broebelen is. Als dat het geval is, begin ik aan de autolyse. Eigenlijk moet je dit ten laatste een half uur voor je gaat slapen doen. Een half uurtje later vorm ik het deeg tot een bal in de pot en laat het rijzen, in de koelkast, op het aanrecht of in ons tuinhok.
Rond 9u vorm ik het deeg en gaat het in de gietijzeren pot. Daar rijst het een dik uur op de vensterbank boven de verwarming. Als het mooi gegroeid is start ik de oven op en als die opgewarmd is, kerf ik een snede in het deeg en gaat de pot erin met deksel erop. 20 minuten later gaat de oven naar 225 graden en dan is het zo’n 35-40 minuten tot het klaar is. Die laatste timing zal je zelf een beetje moeten ondervinden want is afhankelijk van je brood, je pot, de oven…

Als je tegen ‘s ochtends brood nodig hebt kan je ook je starter ‘s avonds opstarten, brood maken doorheen de dag en ‘s avonds bakken.

De smaak te pakken gekregen? Laat me weten hoe je zuurdesem avonturen gaan! Ik maakte intussen ook al pizzadeeg en wafels met mijn zuurdesemstarter, dus stay tuned voor de volgende aflevering!

Schattenjacht in een stadstuintje

Schattenjacht in een stadstuintje

Hoe je vierjarige entertainen in een tuin (of woonruimte) van 26 m²

De tuin was niet de reden dat we ons huis kochten. Toen we het huis gingen bezichtigen nam ik foto’s van het koertje erachter. Telkens we er terug kwamen (het was een openbare verkoop, dus we mochten meerdere malen gaan kijken) bleek het koertje ruimer dan in mijn herinnering, maar een voetbalveld was het nu ook weer niet bepaald. En de brokkelige betonnen ondergrond plus valgevaarlijke insijpelput zouden geen schoonheidsprijzen winnen. Maar goed, in de stad ben je vaak al blij als je buiten kan tout court, en er waren andere redenen waarom we verliefd werden op het huis.

Onze renovatiewerken vorderden zoetjesaan, en in 2018 lieten we onder begeleiding van een tuinarchitect en architect de achtergevel, koer, terras en kelder isoleren en omtoveren tot een aangenaam stadstuintje. In het voorjaar van 2019 was de metamorfose compleet met het aanplanten van de tuin en moestuinbak. Ik sta nog altijd versteld van de mogelijkheden die zij uit elke vierkante centimeter geperst hebben, en we zijn nog elke dag blij dat we beslist hebben om dat stukje verbouwing uit handen te geven aan een zeer kundig team van architect en aannemer.

Een stadstuintje van 26 m² is natuurlijk nog altijd geen grote tuin, je kan er geen sprintje in trekken of glijbaan in zetten, zelfs zo’n blauwe schelp vult al rap het hele terras. Ik maakte vorig jaar een zandbak van een oude wastafel die in de corontaine al dankbaar dienst heeft gedaan (want zand is soms echt all you need om een peuter/kleuter te animeren). We gaan nog steeds naar het park of op uitstap buitenshuis, maar de speeltuin is nu helaas gesloten en meer dan één keer per dag buiten komen zit er ook niet echt in. Nu dit weekend de zonnestralen echt doorbraken was het dan ook een fijne gelegenheid om wat meer tijd in de tuin door te brengen en besloot ik een schattenjacht in elkaar te steken om onze vierjarige te entertainen. Je kan dit ook binnenshuis organiseren, trouwens.

Het idee van een fotozoektocht pikte ik op in de geweldige impromptu opgerichte Facebookgroep 5WekenTotPasen van Maison Slash. Het is simpel maar geniaal: je maakt detailfoto’s in je tuin of binnenshuis van allerlei items, bloemen, planten… Je kind moet zoeken waar de foto gemaakt is, moet dan een opdrachtje uitvoeren en krijgt een nieuwe foto. Je kan altijd achteraf nog meer inzoomen op de foto om het moeilijker te maken, en afhankelijk van je kind en hoe lang je wilt dat het duurt kan je het moeilijker of makkelijker maken. Ik maakte een stuk of 15 foto’s met de smartphone en koos er 10 uit, die ik nog wat inzoomde en in een Google fotoalbum stak dat ik ook op de tablet kon openen. Met een oude digitale camera mocht hij zelf de foto’s namaken en dan komen tonen (dat vond hij nog het leukst van al).

Ik maakte van een zijde van een lege doos pasta met kleurpotloodjes een kaart van de tuin, duidde aan met een kruis waar de schat lag en de weg er naartoe, brandde de randjes wat af voor de pirate’s touch en knipte er 10 puzzelstukjes van: et voilà, een echte schatkaart. Een schoendoosje werd de schatkist, ik stak er een tekening van een ijsje in (hier kan je alles insteken wat je maar wilt: lekkere koekjes voor het vieruurtje, paaseitjes, een echte muntschat of een leuk stukje speelgoed…) en verstopte de doos ongezien op de plek van het kruisje.

Rest je nog om evenveel opdrachtjes als foto’s/puzzelstukjes te bedenken. Ook hier kan je het zo moeilijk of langgerekt maken als je zelf wilt. Onze opdrachten waren: zing een liedje, geef de planten water, spring rond als een kikker, maak een puzzel, zoek 10 rode dingen in huis, zoek 15 dieren in huis, maak een Duplo bouwwerk met minstens 6 verschillende kleuren, een optel-aftel-spel dat hij in de klas had gemaakt, tik 15 keer tegen een ballon met 2 sla scheppen zonder dat hij de grond raakt… you get the picture (oke oke, voor degenen die tot 10 kunnen tellen: ik ben een van de opdrachten vergeten. Gebruik uw creativiteit ;-))

Tijd om te beginnen met de schattenjacht! Je toont de eerste foto, je kind gaat de tuin in op zoek (bij foto 2 was het hier direct zonder één voet buiten te zetten: “ik zie niet wat het is. Geef eens een tip.”), maakt zelf de foto na, krijgt dan een opdracht en als die vervuld is een puzzelstuk en een nieuwe foto. Met een paar stukjes kan je al beginnen puzzelen en wordt het alleen maar plezanter. Als alle stukjes verzameld zijn is het een oefening in kaart lezen – wat is waar en waar ligt nu de schat verstopt? Hier was de schattenjacht alvast een dikke hit – eerst was het papieren ijsje een beetje een anticlimax, maar toen ik vertelde dat het voor een echt ijsje was klaarde hij op, en sindsdien heeft hij al elke dag gevraagd “wanneer we nog eens schattenjacht gaan doen?”. Veel plezier ermee!

Mindfulness in een potje: rode kool fermenteren

Mindfulness in een potje: rode kool fermenteren

Hoe ik van de nood van quarantaine een lekkere deugd probeerde te maken in de vorm van een pittige rode zuurkool

De eerste dagen van de corontaine waarover ik over enkele decennia heldhaftig zal opscheppen tegen mijn kleinkinderen, voelde het voor mij nog aan als een welkome gelegenheid om te vertragen en dingen te maken die tijd en geduld vragen – twee dingen die mij in normale omstandigheden niet zo goed af gaan. Dingen als fermenteren en zuurdesemstarters. Twee eeuwenoude trucjes uit de natuur, processen die ons eten als door een onzichtbaar, magisch proces transformeren van rauwe grondstoffen tot knapperige smaakbommetjes.

Mijn ervaring met fermenteren is eerder anekdotisch. Ik herinner me een proefje in de les biologie in het middelbaar met zuurkool (sauerkraut noemen ze dat in de VS) waarbij we aan de slag gingen met plastic potjes, knolselder en pekel om over anaerobe processen te leren. Op het einde mochten we onze eigen sauerkraut proeven. In 2018 deden we met de collega’s als nieuwjaarsuitstap een kookworkshop die draaide rond vergeten groenten, waar we o.a. prutsten met het inleggen van rode bietjes, wortel, daikon en smaakmakers als knoflook, gember en mierikswortel. Ik was gefascineerd. En een maand of twee geleden mocht ik van mijn collega Heleen op de middag door het prachtige boek Kimchi van Ae Jin Huys bladeren, ik kreeg prompt weer zin om te gaan fermenteren. Heleen raadde mij aan om met kool te beginnen – momenteel (nog net) in het seizoen.

Ik had nog een pre-corona rode kool in de koelkast zitten en zo’n hele kool tot klassieke rode kool verwerken is meestal toch een beetje te veel van het goede (ik heb geen geschikte kookpot waar een hele kool in past). Dus ik zocht naar recepten online om rode kool te fermenteren, die verrassend schaars blijken te zijn. Ik baseerde me uiteindelijk op dit recept van Ekoplaza en de uitleg van de Hippe Vegetariër Maar de techniek van lactofermentatie is uiteindelijk altijd hetzelfde: groenten fijn snijden, voldoende zout bij doen, in een afgesloten potje steken (ondergedompeld in vocht) en wachten. Na wat snuisteren in recepten ging ik aan de slag met rode peper, knoflook, mosterdzaad en zwarte peper als smaakmakers. Die zwarte peper zou ik retrospect niet meer doen: wel lekker, maar zo’n heel bolletje in je mond krijgen is niet geweldig en je wilt ook niet iedere keer naar bolletjes zitten vissen voor je gaat eten. De smaakmakers smaken in het begin heel sterk af, maar niet panikeren: die scherpe smaken vlakken echt af en maken de kimchi heerlijk smaakvol.

Paarse mindfulness in een potje: mijmeren en staren naar de belletjes die zich gezapig een weg naar boven werken… Of de overkant van de straat in de gaten houden. Bonuspunten voor wie de MIVB-bus spot!

Ik gebruikte ongeveer 1/3-1/2 of 400-450 gram rode kool voor een potje van 0,5 liter. Het kon er net in, maar het vocht ontsnapte wel af en toe uit de pot tijdens het fermenteren, dus zorg dat je er een bordje onder zet. Als potje gebruikte ik een IKEA voorraadpot zonder rekker (zodat de lucht eruit kan). Ik ‘steriliseerde’ het potje eerst door er kokend water over te gieten en te laten uitlekken op een propere keukenhanddoek.

De ingrediënten voor 0,5 liter:
– 1/3-1/2 rode kool
– 1 of 2 rode pepers
– 3 teentjes knoflook
– 3 cm gember
– 1 eetlepel mosterdzaad
– zeezout (mag grof zijn)

Rooster het mosterdzaad eventjes in een hete pan. Snijd de rode kool in fijne reepjes, laat het harde hart eruit. Als je een mandoline of keukenmachine met zo’n schijfjes-snijden-mes hebt zou je het ook daarmee kunnen doen, maar een rasp lijkt me (intuïtief) niet zo’n goed idee. Reepjes snijden als je tijd hebt is ook gewoon een fijne mindful bezigheid. Snijd de pepertjes ook in reepjes en hak de knoflook en gember heel fijn. Weeg alle ingrediënten samen af. Weeg per 100 gram groenten 1½ gram zeezout af (dus zout moet 1½ procent van het totaalgewicht zijn).

Doe alle ingrediënten samen in een grote kom en voeg het afgewogen zout toe. Kneed alles ca. 10 minuten stevig door; de groenten moeten gekneusd worden en door het zout hun vocht loslaten. Uiteindelijk ontstaat er veel vocht. Kap groenten en vocht samen in het schone potje. Mijn groenten stonden niet hélemaal onder als ze in het potje gingen, en in dat geval kan je voor de zekerheid een beetje pekel maken (recept: 30g zout per liter, dus 3 gram per 100ml) en aanvullen tot alles onder staat. Afsluiten met een laagje neutrale plantaardige olie zodat er geen lucht aan kan, deksel toe en klaar! Vergeet er geen bordje onder te zetten.
Ter info: als je meer wilt weten over lactofermentatie vind je hier veel nuttige info. Het is belangrijk dat je groenten onder blijven staan in de pekel zodat er geen lucht aan kan, soms wordt het daarom ook wat verzwaard met bv. een schoteltje (dat was niet echt een optie in mijn pot). Je kan in verschillende soorten potten en potjes fermenteren (glas, plastic…), maar denk eraan dat er lucht uit moet kunnen, desnoods door die elke dag eventjes te laten ontsnappen. Er bestaan ook speciale potten voor zuurkool waar de lucht uit kan, maar als beginner wil je daar wellicht niet meteen in investeren.

Nadat je de rode kool van je handen hebt geschrobd komt het zen gedeelte: elke dag met je kin op het aanrecht naar de bubbeltjes kijken die verschijnen tussen de koolreepjes! Na een dag of 5 kan je eens proeven om te kijken of het al zuur genoeg is. Het is normaal dat de groente knapperig blijft (maar niet rauw). Wanneer ik het goed vond deed ik de rek erin en zette ik het potje in de koelkast (als je een frisse kelder hebt van maximum 10 graden kan het ook daar). Daar blijft het héél lang goed.

Op een boterham met hummus… Ook heerlijk in een pita met falafel, die was te snel verorberd!

En dan, smullen maar! Waar kan je dat nu allemaal bij eten? Hier een paar ideetjes:
– voor een snelle avondmaaltijd: kant-en-klare falafels bakken in de pan, één of twee sausjes van Ottolenghi erbij (tahinsaus mag niet ontbreken – meng gewoon snel wat sesampasta met water, citroensap, en een geplet teentje look), wat rauwkost (bv. veldsla, komkommer), hummus en rode zuurkool op een pitabroodje
– ‘s middags op een boterham met hummus of bij Pa’lais blanc
– als smaakmaker tussen een broodje met een sappige veggieburger of bij een veggie hotdog
– bij puree, met een snufje mosterd erbij
Kortom, alles wat een beetje extra kick kan gebruiken. Smakelijk!

Terug van (heel ver) weggeweest – deel twee

Hey, fa! (Wie herinnert zich dàt nog, zeg)

In het vorige bericht vertelde ik hoe mijn blog brusselsfoodie.com kwam te gaan, en hoe brusselsfoodie.be als een feniks uit de assen herrees, met dank aan IT-saviour Pedro. Maar toen kwam eigenlijk het moeilijkste: de blog opnieuw vorm geven en herdenken. Wat moest Brussels Foodie anno 2020 worden?

Toen ik startte met Brussels Foodie in 2011 woonden we pas in Schaarbeek en was ik nog een 20-something met een lief, een (zalig) huurappartement, zonder kinderen, zonder verbouwing en vooral -als ik er nu op terugkijk- zeeën van tijd om te rommelmarkten, uit te gaan en in het weekend uren in de keuken door te brengen. Ik dweepte een beetje met prachtige Engelstalige food blogs als Smitten Kitchen en besloot om die van mij ook in het Engels te schrijven, zo kon ik ook met mijn internationale vrienden blijven communiceren en onderhield ik zelf m’n taalvaardigheid een beetje.

Fast forward naar 2020: de blog ligt al een jaar of vier behoorlijk plat nadat we van huisje-verbouwinkje-kindjes deden en de kriebels die ik af en toe voelde om recepten en ander leuks aan het world wide web toe te vertrouwen zelden het toetsenbord haalden. En toen kwam dus de hostile takeover van brusselsfoodie.com en was het een beetje ‘nu of nooit’ gevoel. Ik ben al een hele tijd fan van Kelly Deriemaeker van Tales from the Crib en het toeval wil dat zij een Blogboek schreef, waar ze over vertelde in één van de Werk & Leven podcasts (heb ik al gezegd hoe fantastisch die zijn? Ik ga vast nog een paar keer in herhaling vallen, maar check. them. out.)

Het Blogboek dus. Ik kocht het om mee te nemen naar onze driedaagse aan zee (oh, wat een ongekend heerlijke luxe lijkt dat in Coronatijden – zomaar eventjes naar zee kunnen gaan) en las het op drie dagen uit, wat niet van mijn gewoonte is. Dat het vooral regende tijdens de vakantie en we een leuke binnenspeeltuin vonden in Middelkerke, hielp daarbij. Het boek is heel gestructureerd opgebouwd in hoofdstukken en behandelt allerlei nuttige onderwerpen die je helpen nadenken over het soort blog dat je wilt: welk publiek je wilt aanspreken, wat je rode draad is, hoe je je blog vormgeeft… very comprehensive, quoi. Daarnaast zit het boordevol toffe ideeën om concreet aan de slag te gaan.

Heimwee naar de zee, ook al ratelde de wind toen door de rolluiken

Dus dat is wat ik deed: nadenken over welk soort blog ik wilde, en daarmee aan de slag gaan. Ik wil vanaf nu in het Nederlands bloggen (doorspekt met wat Engels en Frans, zoals het een goede Brusselse wereldburger betaamt), met ‘goed eten’ nog steeds als rode draad, maar niet als enige onderwerp. De kinderen zijn er (and they ain’t goin’ nowhere at the moment), dus daar wil ik ook iets mee doen: kindvriendelijke adresjes, kindvriendelijk eten, fijne gezamenlijke activiteiten … Duurzaamheid is ook steeds een belangrijk onderwerp in mijn leven, op allerlei manieren, dus ook dat zal een aanwezig thema zijn. En voor de rest: wie mij kent, weet dat ik niet veel opheb met verbloemen, faken of doen alsof. Een foto maken van een knutselactiviteit zonder dat er rommel in de achtergrond ligt lukt niet altijd en die lachende emoji met een zweetdruppel op z’n voorhoofd staat bij mij altijd op speed dial. Keepin’ it very real, dus.

Et voilà: le nouveau Brussels Foodie est arrivé! Heb je suggesties, vragen, commentaar… let me know. En ik beloof: de posts met doe-dingen komen er snel aan!

Terug van (heel ver) weg geweest – deel één

Over hoe een onwaarschijnlijke ontmoeting met een West-Vlaming genaamd Pedro deze blog nieuw leven in blies.

Disclaimer: de herlancering van mijn blog werd intussen ingehaald door de Corona-realiteit. Wat ik daarmee precies ga doen de komende dagen-weken weet ik nog niet: er veel aandacht aan besteden of net niet? Ik ben zelf al lichtjes verzadigd met “hoe-hou-ik-mijn-kinderen-bezig-ideeën”, dus ik weet niet of ik daar nog iets zinnigs aan kan toevoegen. Alleszins, al te meer redenen om virtueel connectie te maken nu. Hieronder lees je alvast hoe ik ertoe kwam om mijn blog weer op te starten.

Zo. Long time no see. Onder invloed van veel verschillende factoren – een verbouwing, een kind, nog wat verbouwen, een broodnodige time-out van het werk, nog een kind, een job switch, om maar enkele te noemen – was ik het uitgebreid koken en bijhorende bloggen nogal uit het oog verloren. Hoe gaat dat he, in het leven. De voorbije maanden waren niet minder druk, maar een aaneenschakeling van gebeurtenissen heeft ervoor gezorgd dat ik toch weer de draad wil oppikken, met een frisse wind!

Eén van de redenen waarom bloggen er niet meer van kwam: de eindeloze verbouwing
Eén van de redenen waarom bloggen er niet meer van kwam: de eindeloze verbouwing

Hoe is het zo ver gekomen? Het verhaal heeft een onwaarschijnlijke twist die ik jullie niet wil onthouden. In augustus vorig jaar kreeg ik een mail van mijn hosting service met als titel “Domein: brusselsfoodie vervalt binnenkort” en een aanmaning om hun factuur van 9,09 euro te betalen. Alleen, ik vond die factuur nergens terug. Dus ik mailde terug, of ze een kopie wilden sturen. Geen antwoord. In september kreeg ik opnieuw een mail, om te laten weten dat mijn domeinnaam werd opgeschort wegens wanbetaling, en er een 30 dagen ‘redemption grace period’ begon waarin ik mijn domeinnaam nog kon redden. Dus ik mailde opnieuw terug om de factuur op te vragen, probeerde ook te bellen, tweeten, Facebooken… geen respons, tot mijn frustratie. Erger nog: ik bleek niet de enige in dit schuitje en werd gecontacteerd door verschillende andere website eigenaars die mijn tweets zagen en hetzelfde meemaakten. Arghh.

Ik checkte af en toe brusselsfoodie.com, waar nu niks meer op stond, maar zag niks gebeuren. Tegelijkertijd vond ik de domeinnaam ook niet beschikbaar om terug te kopen. Tot ergens in januari er plots schreeuwerige Chinese gifs verschenen die o.a. reclame maken voor casino’s in Macau. Als bij wonder geraakte ik nog eens terug in de backoffice waarvan ik dacht dat ik het paswoord forever kwijt was en wat bleek: al mijn content was weg. CRAP. Plots besefte ik: mijn blog is echt weg, en alle inhoud erbij.

the site formerly known as brusselsfoodie.com :-(

Hoewel ik al een hele tijd inactief was, was ik best miffed over het feit dat ik nergens nog een backupje had van alle recepten en andere dingen die ik in de loop der jaren bij elkaar had geschreven. Ik overwoog om een nieuwe blog te beginnen, in het Nederlands dan, zat stiekem ook een beetje te brainstormen over wat ik daarop zou zetten… En toen kwam het mailtje.

Op de vele mailtjes die ik naar de hosting service stuurde kwam nooit een antwoord. Tot plots, maanden na datum: “Hallo, ik ben nieuw bij het bedrijf en volg alle openstaande zaken op. Is dit nog van toepassing?” Ik mailde terug, legde de situatie uit en luttele minuten later hing een sappige West-Vlaamse stem luisterend naar de naam Pedro aan de lijn. Pedro vatte de hem gegeven koe stevig bij de horens en zowaar, enkele uren later zag ik terug de backup bestanden van mijn bloginhoud verschijnen! De domeinnaam was helaas lost in cyberspace (enfin, in Macau) maar aangezien brusselsfoodie.BE nog vrij was, was ook dat rap geflikt. Duizendmaal dank Pedro! Als dit geen teken uit de hemel was dat ik terug de blogdraad moest oppikken, wat dan wel? En zo geschiedde…

Benieuwd wat ik van plan ben met mijn nieuwe blog? Stay tuned for deel 2…

Brussels sprouts and pear panzanella

So, how to go about this… yes, it’s been over 2 years since I posted my last recipe here. A lot happened in the meantime, mostly having a baby who has grown into a cute and rather picky toddler*. That directed a lot of my time and energy away from experimenting in the kitchen and towards, um, a big experiment to keep a tiny human being alive and kicking.

But these days I find myself having a little bit of time and culinary inspiration again! Three things happened: firstly, I participated in a cooking workshop with my colleagues (for our annual New Year event). It’d been AGES since I’d done any kind of new (and fun) cooking. It was mostly about fermenting vegetables but it worked up my appetite for all things umami! Secondly, I got Dorien Knockaert’s new cookbook ‘Thuiskomen‘ for Christmas. And finally, I became ill, had to take some time off and started reading the book and thinking about things I wanted to try in the kitchen. As an added bonus, someone told me they used to follow my blog, which sort of prompted me to do something with it again :-) So with Brussels sprouts in the fridge that needed to be used and a recent quest for more umami flavor, I combined a few recipes to get to this Brussels sprouts and pear panzanella!

The sources of inspiration: Dorien’s panzanella salad (in Thuiskomen), Martha Stewart’s Brussels sprouts and pear combo and one of many recipes that combine balsamic vinegar and maple syrup with sprouts.

*some mom blogs will tell you that children are more likely to eat vegetables that look ‘roasted’, but mine wasn’t in the mood for any vegetables today. The crunchy oven-baked bread was a hit, though. Try again next time.

Brussels sprouts and pear panzanella

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

 

Ingredients for 3-4 servings:

500 grams (1 pound) of Brussels sprouts, cleaned, trimmed and cut in half
3-4 shallots
2 firm pears (they shouldn’t be super soft yet or they’ll turn to pulp)
5 sprigs of thyme
olive oil, pepper and coarse salt
1 small ciabatta bread or 2/3 of a baguette artisanale
3 tablespoons of balsamic vinegar
2 tablespoons of maple syrup or honey

How to:

Pre-heat the oven to 220 degrees Celsius. Clean and trim the sprouts (remove the outer leaves) and cut in half. Peel the shallots and quarter them. Slice the pears, remove the core (don’t peel) and cut into 1-2 cm wedges. Put the sprouts, shallots and pears in a bowl with the thyme. Drizzle with olive oil, add pepper and salt and toss carefully (mind the pears).

Spread out on a deep baking dish and put in the middle of the oven for 15-18 minutes, until the first sprouts are starting to turn brown. In the meantime, tear the bread into chunks slightly larger than the sprouts. Toss in the same bowl with some olive oil. Add to the baking dish on the outer sides, shifting the sprouts to the middle (the bread will turn brown faster there). In 6-7 minutes,  the sprouts should be caramelized and tender and the bread should be crunchy. While the bread is in the oven, whisk the vinegar and maple syrup in a small bowl.

Remove the baking dish from the oven. Use a large spoon to scoop everything but the bread from the baking dish and into a heatproof serving dish. Drizzle with the vinegar mixture. Toss carefully (the pears will be very tender now). Add the bread. Let this stand for 5 minutes so the bread can soak up a little bit of the yummy vinegar. Serve and enjoy!

DIY: zelf een stevige draagzak maken

Sinds november 2015 ben ik naast foodie ook mama en dus worden de culinaire activiteiten eventjes ingewisseld voor de wondere wereld der baby-spulletjes. Van mijn schoonzus kon ik een tricot-slen draagdoek lenen en na het overwinnen van enige terughoudendheid (dat gaat nooit lukken/wat een gedoe met die lange flappen/is dat niet voor hippies…) en het wat beter leren knopen (zodat het niet voelde alsof ik plotseling weer 41 weken zwanger was) zat ons kleintje daar lekker knus tegen mij (of papa) aan. En wat heerlijk om de handen af en toe vrij te hebben terwijl de baby toch getroost wordt door mama’s warmte. Om nog maar te zwijgen van het gemak op het Brusselse openbaar vervoer: gedaan met speuren naar liften of lief kijken naar anderen om de maxi cosi een trap te helpen opsjouwen… Helemaal enthousiast geworden door deze nieuwe perspectieven die zich voor ons openden en met een trip naar Parijs in het vooruitzicht (waar de metro’s naar het schijnt een hel zijn voor de doorsnee buggy) schreven we ons in voor een workshop dragen bij Myriam van Dragen in Brussel en maakten we kennis met de verschillende dragers. Naast onze rekbare draagdoek, waar ons hummeltje stilaan is uitgegroeid, zijn er namelijk ook geweven draagdoeken, ring slings, mei tais, …

Na de draagworkshop ging ik in webshops op zoek naar een model dat me aanstond, maar de prijzen van de meeste draagzakken maakten even de Dagobert Duck in mij wakker. Mooi, maar niet goedkoop. En na wat surfen en rondsnuffelen op blogs van handige mama’s begon deze doe-het-zelfster weer goesting te krijgen om acher de naaimachine te kruipen.

Dus terwijl ik een uitstap naar de stoffenwinkel plande tijdens de laatste dagen van de solden én van m’n bevallingsverlof stak de projectkoorts op. Jeweetwel, dat gevoel van uitdaging en een hoofd vol plannen en ideeën wanneer je aan iets begint dat je eigenlijk doodgraag doet – in mijn geval achter de naaimachine kruipen. Ik deed veel inspiratie op door de blogs van Grumbles And Grunts en Barefoot And Pregnant Esquire. Ik besloot een mei tai te maken naar het model van de Girasol MySol, dat ik ook had uitgetest in de draagcursus. Het voordeel van de MySol is dat er geen gespen of andere plastic/metalen onderdelen aan te pas komen, alles werkt met touwtjes en linten. Bovendien kun je hem groter en kleiner maken, zodat hij geschikt is voor hele kleine baby’s tot en met hele grote. Ik vond de afmetingen van de MySol hier.

Mijn draagzak heeft 2 meter lange schouderlinten en 3 meter lange heuplinten. Daarmee maken zowel mijn man als ik (beide doorsnee grootte) vlotjes een knoop vooraan met het heuplint en een knoop achteraan met de schouderlinten. Je kan dus iets korter gaan (zeker voor de heupen), zorg dan wel dat je eerst de nodige afstand meet op jezelf met een lintmeter en rekening houdt met de knopen die je nog moet leggen. Veiligheid is belangrijk dus maak geen te korte linten (je moet een dubbele knoop kunnen leggen) en kies zeker een stevige stof en kwaliteitsvolle draad!

Deze draagzak is helemaal uit stof gemaakt in twee kleuren, zodat je hem langs twee kanten kan gebruiken (handig voor als hij bij je hele kleerkast moet passen, of als je partner doorgaans een meer/minder flashy kleurenpalet hanteert). Je kan hem uiteraard ook uit één kleur te maken, dit bespaart je mogelijk een beetje stof. Ook dan kan je hem nog langs twee kanten gebruiken.

De benodigdheden kostten mij alles tesamen zo’n 60 euro (stof + vulling + draad), maar als je op zoek gaat naar goedkope stofjes of kan werken met resten kan het uiteraard nog een pak goedkoper. Onderaan de pagina vind je enkele tips om goed aan de slag te gaan met de drager, maar ik kan je van harte aanbevelen om een workshop dragen te volgen, dat kan bijvoorbeeld bij Myriam.

Veel succes ermee en laat mij zeker iets weten als je het zelf uitprobeert! Schattige foto’s van kleintjes in draagzakken please!

Wat heb je nodig:

Textiel: ik gebruikte stevige, canvasachtige interieurstoffen van 100% katoen (gevonden in Maison Dorée, de keten van de Nekkertex). Ik koos voor niet té dikke, ademende stoffen zodat ik in de zomer niet loop te puffen (een baby geeft al genoeg warmte af – letterlijk en figuurlijk :-)). Gordijn- of meubelstof, denim, een stevige tafeldoek, de meeste stoffen van IKEA… als het maar stevig aanvoelt (als in, je durft je meest precious bezit erin ophangen) en ademt. Ik heb geen ervaring met rekbare stoffen voor zo’n draagzak, dus ik zou het niet aanraden – alleszins op eigen risico uit te proberen.

De (gordijn)stof die ik kocht was 280 cm breed en ik kwam ruim toe met 1,5 meter van elke kleur – ik kon er zelfs twee zakken van maken. Belangrijk is wel om te weten dat ik de linten heb geknipt in de draadrichting (en dat ook zou aanraden voor de stevigheid), waarbij ik alle linten uit twee delen heb gemaakt (1,5m + 0,5m voor de schouderlinten en 1,5m + 1,5m voor de heupen). Als je stof 280 cm breed is kom je ook toe met 1 meter van elke kleur, maar dan moet je drie panelen aan mekaar zetten voor het heuplint.

Als je stof koopt van 140 cm breed (zoals de meeste stoffen) heb je 1,5 meter van beide kleuren nodig.

Als je de hele doek uit één kleur maakt volstaat 1,5 meter van 280 cm breed of 3 meter van 140 cm breed.

Let op: je hebt iets meer stof nodig als je kiest voor stof met een patroon, als je het patroon mooi wilt laten aansluiten. Hoeveel meer hangt af van de herhalingsafstand van het patroon.

Draad: 2 rolletjes Gutermann draad in de kleur van één van de stoffen. Ik kocht 1 rolletje en viel zonder draad toen mijn zak bijna af was en de Veritas al gesloten – bestaat er iets meer frustrerend? (gelukkig zat er nog een zetelproject – ahem – in mijn ooit-eens-aan-beginnen-schuif in een gelijkaardige kleur waarvoor ik al draad had gekocht, zodat ik toch nog lekker veel te laat kon doorwerken).

Vulling: vraag in de stoffenwinkel naar dikke fluffy vulling (er bestaat vast een professionele naam voor, maar die ontglipt me even) voor je schouder- en heuplinten. Ik koos de dikste van de drie opties en kocht 0,5 meter van 1,4 meter breed. Daarmee kan ik waarschijnlijk een zak of 5 maken… Met 0,3 meter kom je m.a.w. ook toe (maar zoiets is altijd handig om in stock te hebben, toch?)

Materiaal:

need to have: een naaimachine (ik raad af om dit met de hand te proberen, tenzij je naam Assepoester is), jeansnaalden (ik heb er twee gebroken op het einde bij de laatste vijf stiksels), een goede stofschaar, patroonpapier (papier met ruitjes is o zo handig), een gewone naald, een lintmeter, spelden, een strijkijzer

nice to have: kleermakerskrijt om te traceren op de stof, enige naai-ervaring komt ook van pas.

Oké, let’s get started!

Vooraleer je uit de startblokken schiet, kan je best de stof wassen zodat ze achteraf niet krimpt, goed soepel wordt en de meeste chemicaliën van de productie eruit zijn (als jouw kind is zoals het mijne durft hij al wel eens sabbelen op die doek). Wassen op 30 graden is voldoende, maar zorg ervoor dat je de stof niet opgevouwen in de machine steekt, want dan kan je witte strepen krijgen waar de vouw zit. Strijk de stof daarna, zodat de ergste kreukels eruit zijn en ze goed plat ligt voor het knippen.

Begin met het uittekenen en knippen van de patronen en ze uit te leggen op de stof. Teken de patronen over van de modellen op de tekening. Alle afmetingen zijn in centimer (klik om groter te maken).

patroondelen draagzak

Je hebt de volgende stukken nodig:

(NB: als je alles uit één kleur maakt knip je gewoon alles behalve de treklinten dubbel)

– (1) draagzak: 1 van elke kleur (knip 1,5 cm naad extra)
– (2) kap: 1 van elke kleur (knip 1,5 cm naad extra)
– (3) binnenstuk draagzak: 1 van elke kleur (knip 1,5 cm naad extra)
– (4) schouderlinten: in totaal 2 x 2 meter van elke kleur, geknipt met de draadrichting mee. Knip 2 stroken van 13 cm breed (naad van 1,5 cm inclusief) en 1 strook van 12 cm als je 1,5 meter lange stof hebt.
– (5) heuplint: in totaal 3 meter van elke kleur, geknipt met de draadrichting mee. Knip stroken van 12 cm breed (naad van 1,5 cm inclusief)
– (6) treklinten: stroken van 5 cm breed: 1x 150 cm, 1x 100 cm en 2x 75 cm (in totaal 4 meter) uit één van de twee kleuren (!).
– (7) lussen voor de schouderlinten: in totaal 65 cm van elke kleur, stroken van 10 cm breed
– (8) vulling: 80 x 9 cm voor het heuplint en 2 maal 60 x 11 cm voor de schouderlinten. Knip de schouderlinten smaller vanaf 11 cm lengte om overeen te komen met de versmalling van de stof (zie foto).

Hieronder een voorbeeld van hoe je dit kan uitknippen. Je kan natuurlijk ook de stof en de patroondelen dubbelvouwen.

knipvoorbeeld bij stof van 140 cm breed

Bij het knippen van de patroondelen is het handig om de eerste uitgeknipte kleur op de tweede te leggen (zelfde stofkanten op elkaar), zo komen je naden later netjes overeen.

 

Wanneer je alle patroondelen hebt uitgeknipt, markeer je de naden en details met kleermakerskrijt.

Opmerking vooraf: de naden mag je altijd tesamen afwerken tegen het rafelen, tenzij er staat ‘strijk de naden open’. De zigzag functie van mijn naaimachine werkt niet goed dus de mijne zijn met rechte steken afgewerkt, maar een zigzag of interlock als je dat hebt is handiger tegen het rafelen.

We beginnen met de linten.

Heuplint: als je stof minder lang is dan 3 meter, stik dan eerst de korte kanten aan mekaar. Strijk de naden open en werk af. Doe dit voor beide kleuren. Leg dan de goede kanten van de stof op elkaar en stik de naden door tot 9 cm breedte. Stik één van de korte kanten schuin af voor het uiteinde van je lint, knip de overtollige stof weg en werk alle naden af tegen rafelen.

Schouderlinten: zet de stof met de korte kanten aan elkaar zodat je twee linten van minstens 2 meter hebt. Strijk de naden open en werk af. Doe dit voor beide kleuren. Leg dan de goede kanten van de stof op elkaar en stik de linten door tot 11 cm breedte op de eerste 22 cm, om dan te versmallen naar 9 cm breedte voor de rest van het lint. Het stuk van 11 cm breedte vormt de aansluiting aan de draagzak en wordt voor de eerste 11 cm weggewerkt in de zak, voor de stevigheid. Mijn schouderlinten waren 150 cm + 50 cm in de lengte en ik maakte het stuk van 11 cm breedte aan het begin van de langste strook van 150 cm, zodat de naad quasi altijd onzichtbaar is wanneer je de draagzak hebt geknoopt.

schouderlinten aan mekaar gezet

schouderlinten aan mekaar gezet

linten aan mekaar gezet

de linten

schouderlinten

verbreding aan uiteinde van het schouderlint
verbreding aan uiteinde van het schouderlint

uiteinde van de linten

uiteinde van de linten

Leg de vulling op de linten en duid met kleermakerskrijt aan tot hoe ver die moet komen. Laat voor de schouderlinten 11 cm van de brede strook vrij van vulling, dit stuk komt in je draagzak. Voor het heuplint betekent dit dat je het midden van de vulling gelijk legt met het midden van je lint en langs beide kanten aftekent. Draai de linten binnenste buiten (de goede kant naar buiten) en strijk ze goed plat langs de naden. Nu volgt een prulwerkje: de vulling erin steken. Begin met de schouderlinten. Rol het lint terug binnenste buiten op totdat je aan de streep bent gekomen. Zet op dit punt de vulling vast aan de stof met naald en draad en enkele steken en een stevige knoop. Rol dan de stof terug over de vulling totdat de vulling er helemaal in zit. Frutsel ermee totdat de vulling netjes plat in het lint zit (je moet de vulling eigenlijk een beetje ‘masseren’). Knip de steekjes die je maakte weer door. Doe hetzelfde met het heuplint. ‘Masseer’ totdat de vulling mooi in het midden zit. Dit is nog een groter foefelwerkje omdat de vulling hier in het midden van het lint moet komen maar houd moed, je zal een heerlijk zachte draagzak hebben. Strijk daarna de linten netjes plat, ook over de vulling.

voering uitgeknipt

leg de voering op de omgekeerde linten

leg de voering op de omgekeerde linten op 11 cm hoogte van de schouderlinten

markeer het einde van de voering op de stof

rol het lint weer naar de goede kant

maak de voering vast aan het lint met enkele stevige steekjes

Trek het lint weer naar de goede kant over de voering

Trek het lint helemaal over de voering

Trek het lint weer naar de goede kant over de voering

Trek het lint helemaal over de voering

Duw de voering in de stof totdat alles goed plat ligt

Strijk de linten mooi plat

Maak de andere kant van het heuplint af door schuin af te knippen, enkele steekjes van de naad los te tornen, de naden naar binnen te draaien, strijken en zo vast te naaien. Stik de linten door op 3 en 6 cm breedte, bij de dikkere gedeeltes moet je de stof soms wat door de naaimachine ‘helpen’. Stik de uiteindes nog eens door. Je linten zijn klaar!

de linten platgestreken

Knip het uiteinde schuin af en draai de uiteindes van het lint naar binnen

Stik de linten door op 3 en 6 cm breedte

De linten zijn klaar!

Treklinten: Deze maak je van de stroken van 5 cm breed. Begin met de linten dubbel te vouwen en dit goed te strijken. Plooi vervolgens de uiteindes naar binnen, zodat je een mooi lint van ongeveer 1,5 cm breed krijgt. Speld vast indien nodig, strijk opnieuw en stik aan weerskanten helemaal door. Stik heen en weer op het uiteinde om rafelen te voorkomen. Je treklinten zijn klaar!

Strijk het lint in de helft

Vouw de lange zijdes dan opnieuw dubbel

Strijk opnieuw plat

Vouw de linten dicht zodat ze 1,5 cm breed zijn
Vouw de linten dicht zodat ze 1,5 cm breed zijn

Stik door aan de open kant
Stik door aan de open kant

Stik door aan de andere kant
Stik door aan de andere kant

Lussen voor de schouderlinten: Maak deze lussen zoals de treklinten, van de stroken van 10 cm breed zodat je eindigt met linten van ongeveer 3 cm breed. Je gaat deze lussen bevestigen op 10, 20 en 30 cm hoogte van de schouderlinten, aan twee kanten tegelijk. Meet 10 cm vanaf het begin van de vulling in de schouderlinten (!! de eerste 11 cm komen straks in de draagzak te zitten ter versteviging). Speld het lussenlint op deze hoogte vast in het midden van het schouderlint, met de lange kant naar het begin van het schouderlint gericht. Speld het lussenlint van de andere kleur vast op dezelfde plaats en controleer of ze overeen komen. Naai dan het lint vast. Opgepast, bij dit stuk zijn mijn jeansnaalden gebroken. Ik laat de machine gewoon een lengte vooruit en dan weer achteruit naaien, niet te snel. Als dit vast zit, meet je 7 cm vanaf het stiksel en knip je de lussenlinten daar af. Plooi één van de twee lussen (best de kleur die je hebt gekozen voor je draad) om en vouw het uiteinde eronder, speld vast zodat je een lus krijgt, zorg dat het stuk aan de andere kant niet in de weg zit en naai vast. Draai nu het schouderlint om en zet de tweede kleur vast op hetzelfde stiklijntje. (Als je probeert om beide kanten tegelijk te doen komt het bijna nooit netjes uit, omdat je zo’n dik pak onder je naaivoet moet schuiven). Herhaal dit op 20 cm en op 30 cm van het uiteinde van het schouderlint, maar maak van de lus bij 30 cm een dubbele: in plaats van af te knippen op 7 cm naai je de lus eerst één keer vast, maak je een nieuwe lus van 7 cm en doe je dan de eindhandeling. Herhaal voor het tweede schouderlint.

Speld het lint vast op 10 cm van het uiteinde van het schouderlint

Speld ook de andere kant vast

Naai vast

Knip af op 7 cm

Plooi één kant naar binnen en naai vast

Naai ook de andere kant vast op de lijn van het stiksel

Voor de dubbele lus naai je eerst halverwege vast en knip je dan 7 cm af

De lussen zijn af!

De kap van de draagzak: De kap heeft aan weerskanten een schacht voor de treklinten, die je kan gebruiken om de kap als neksteun te laten dienen of om de kap omhoog te houden. De schachten zijn 2 cm breed en de stof moet bovenaan omgenaaid worden over die breedte. Begin met een knip aan weerskanten in de naad (zie foto). Sla de stof om, knip af tot 1 cm en zigzag tegen het rafelen. Stik ze netjes vast op 0,5 cm. Als je dit voor de beide panelen van de kap hebt gedaan leg je de goede kanten op elkaar en stik je op de naden, behalve de onderkant en de openingen van de schachten die je net hebt gemaakt. Knip het ronde deel enkele keren in. Keer de kap binnenstebuiten en strijk plat. Naai de schachten van het treklint op 2 cm breedte van de rand en werk af met het doorstikken van de afgeronde bovenkant van de kap op 0,5 cm. Trek er de twee treklinten van 75 cm door met behulp van een veiligheidsspeld. De kap is klaar!

Knip de naad van de kap in waar de trekschachten komen

Naai de kap vast aan 3 kanten, knip de naden in en draai om

Naai de schachten op 2 cm van de zijdes

Trek de linten door de schacht met een veiligheidsspeld en je bent klaar!

Draagzak: Start met het binnenstuk van de draagzak. Dit dient om extra versteviging te creëren voor het heuplint en treklint dat hier later door gaat. Werk de zoom van de horizontale kanten van het binnenstuk af tegen rafelen.  Leg het binnenstuk op het draagzak paneel met de goede kanten op elkaar en stik de zijnaden tot aan de hoeken van het patroon (dus niet helemaal doorstikken naar onder en boven). Knip in waar je naad stopt. Werk de naden af tegen rafelen. Draai binnenstebuiten en strijk de zijnaden plat. Stik door op 0,5 cm afstand van de rand. Doe dit voor beide delen.

Naai het gezoomde binnenstuk op het paneel van de draagzak

Knip in ter hoogte van het einde van de naad

Knip in ter hoogte van het einde van de naad

Knip in ter hoogte van het einde van de naad

De panelen zijn klaar met binnenstuk, keer ze weer naar de goede kant

Maak ook de uiteindes van de schacht voor het treklint onder de kap. Knip de naden in ter hoogte van het stukje tussen de kap en de schouderlinten (zelfde als bij de kap). Knip de naden tot op 1 cm, werk de uiteindes af tegen rafelen, plooi om en stik door op 0,5 cm van de rand. Knip de overtollige stof weg.

Naai de uiteindes voor de schacht op het paneel van de draagzak

Nu komt de grote finale: de assemblage van alle onderdelen!

Leg één van de twee draagzak panelen met de goede kant naar boven. Leg de kap hierop, bovenaan in het midden  met de zelfde kleuren tegen mekaar (tenzij je wilt dat de kap een andere kleur heeft dan de zak). Zorg dat de lintjes van de kap nergens op een toekomstige naad liggen. Leg de schouderlinten ook op het draagzak paneel, met de naad ter hoogte van het begin van de vulling, zodat er ongeveer 11 cm uitsteekt. Zorg dat de uiteindes naar buiten komen ter hoogte van het binnenstuk dat je eerder naaide. Leg de tweede kleur draagzak hierop met de goede kant naar binnen en zorg dat alles mooi op mekaar past. Speld alles netjes tesamen: de naad van de kap, de naden van de schouderlinten (opgelet, het stukje hier tussen niet stikken, hier komt nog een schacht voor een treklint!), de zijnaden tot aan het binnenstuk, de korte zijnaad onder het binnenstuk en de onderste naad. Opmerking: ik bedacht achteraf dat het misschien handig zou zijn om een lusje te hebben om de zak mee op te hangen zoals een jas. Als je nog een restje treklint hebt kan je dat hier in het midden van de kap steken. Stik alle naden door en werk af tegen rafelen. Knip naden van de rondingen aan de zijkant onder de schouderlinten enkele keren in. Draai dan binnenste buiten langs de openingen in het binnenstuk. Stik de naden door op 0,5 cm van de rand langs de zijkant en onderkanten (behalve het binnenstuk). Stik dan de laatste stukken: 2 cm onder de kap voor de schacht van het treklint, een vierkant met kruis (mijn vierkant is 8 x 8 cm) ter versteviging van de schouderlinten en de drie schachten voor het heuplint en het treklint. Die laatste doe je op 2 – 10 – 10 cm afstand, ter hoogte van het binnenstuk. Stop je heuplint erdoor et voilà, je draagzak is klaar!

Leg de kap op de goede kant van de stof, zelfde kleuren tegen mekaar

Leg de schouderlinten op de draagzak. Laat 11 cm overlappen bovenaan ter versteviging aan de binnenkant

Leg de tweede kleur op het andere paneel, goede kant naar binnen

Zorg dat de schouderlinten naar buiten komen via de dubbele binnenstukken van het paneel

Draai de zak binnenste buiten langs de binnenstukken

Stik de schachten door op 2, 10 en 10 cm

Stik de schouderlinten vast langs binnen, op 8 x 8 cm

Trek de treklinten door schacht met een veiligheidsspeld

Trek de treklinten door schacht met een veiligheidsspeld

onder het treklint zijn twee schachten voor het heuplint

Versteviging van de schouderlinten

Versteviging van de schouderlinten

Schacht voor een treklint onder de kap

Bevestiging van de kap aan de draagzak

De schouderlinten

De draagzak is klaar!

Draagtips:

Hoe ga je nu aan de slag met je draagzak? Hier enkele algemene en specifieke tips:

– voor kleine baby’s stop je het heuplint in de bovenste schacht, als je oogappel wat groter wordt kan je de zak ook groter maken met de onderste schacht. Het horizontale treklint halverwege kan je gebruiken om de zak smaller te maken. Het is belangrijk dat je baby altijd een breed zitvlak heeft met de beentjes in ‘kikkerhouding’ en de knietjes boven de poep.

– Zorg dat je baby ongeveer op ‘kushoogte’ hangt: je moet met je mond aan zijn hoofdje kunnen. Dat is belangrijk voor jouw ergonomie. Het dragen mag niet oncomfortabel aanvoelen! Experimenteer eventueel met de juiste hoogte.

– Zorg dat de linten zo min mogelijk verfrommeld zijn en je ze zo breed mogelijk gebruikt. Je baby mag ook goed strak aangetrokken worden zodat hij goed in de zak zit en je het gewicht dicht bij jou draagt.

Hoe de baby in de draagzak steken (oefen eerst met een knuffel als je je onzeker voelt):

– Bind het heuplint rond en maak vast met een dubbele knoop. Trek het treklint aan om de zak eventueel smaller te maken en maak vast met een lusknoop aan beide kanten.

Doe het heuplint om en maak het treklint smal genoeg voor de beentjes van je baby (van knie tot knie)

– Neem je baby op en zet hem met beide beentjes aan weerskanten van de zak, tegen je buik. Houd de baby ten allen tijde vast met één hand!

Zet de baby in de zak

Zet de baby in de zak

– Trek één schouderlint over je schouder en trek het kruiselings over je rug en onder het beentje van de baby. Wissel van hand en doe hetzelfde met het andere schouderlint. Trek goed aan. Nu kan je de linten een eerste keer goed vastknopen onder het zitvlak van je baby. Ofwel knoop je ze hier vast, ofwel kan je nog eens naar je rug doen en daar vastzetten met een dubbele knoop.

Trek het schouderlint over je schouder en kruiselings over je rug

Doe hetzelfde met het andere schouderlint

Doe hetzelfde met het andere schouderlint

Laat de schouderlinten onder de beentjes uitkomen en knoop vooraan met een strakke knoop

Zet de schouderlinten vooraan of achteraan vast met een dubbele knoop

– Je kan de kap smaller maken met het horizontale treklint. Je kan ook een neksteun maken door de kap wat op te trekken over de twee treklinten en die vast te zetten aan de lussen op de schouderlinten. Voilà, je bent klaar om naar buiten te gaan!

Maak de treklinten van de kap vast aan de lussen op de schouderlinten voor extra neksteun

Maak de treklinten van de kap vast aan de lussen op de schouderlinten voor extra neksteun

Klaar om op stap te gaan!

Opgelet, draagzak is comfortabel. Baby might fall asleep :-)

Ook papa’s staan prima met een draagzak!

Voor meer tips, rugdragen enz… verwijs ik graag naar een goede workshop door een gecertificeerde draagconsulent, in Brussel is dat bijvoorbeeld Myriam Drabs: hier en hier kan je checken wanneer er een sessie plaatsvindt. In Leuven heeft Doekjes en Broekjes ook workshops.

Veel plezier ermee!

Pear pie with cake filling

What is one to do with too much time on one’s hands and some very ripe pears plus a roll of shortcrust pastry that desperately needs to be used up in the fridge? That’s right, turn them into pear pie. The sliced pears (you could use apples or other fruit as well)  give this pie a refined look while really, it’s so easy to make.

Ingredients:

one roll of ready-made shortcrust pastry (quite easy to make yourself as well, if you have time! I have a recipe here, or use one of Martha Stewart’s)
185 gr soft butter
185 gr sugar
3 eggs (preferably at room temperature)
1 tsp vanilla extract
185 gr self-rising flour (or regular flour + baking powder)
4 ripe pears (I used Durondeau, but any kind will do)

1 pie plate (+/- 25 cm)

pear pie with cake filling

How to:

Take the shortcrust pastry out of the fridge, let it rest for a little bit, roll out or spread out and line the pie plate with the dough. If it’s home made, use butter and flour first to prevent sticking. Using a fork, poke some holes in the pastry.

Combine  butter and sugar in a large bowl. Use an electric whisk or stand mixer to beat them together until white and airy, don’t stop too soon. Add in the vanilla extract and eggs one by one and keep beating until combined.

Sieve the flour into the bowl and combine, don’t mix for too long this time, to prevent the dough from getting too ‘heavy’. Pour the dough into the prepared pie plate and distribute evenly with a spoon or spatula.

Preheat the oven to 175 degrees Celsius. Peel the pears, cut into four quarters, remove the core and slice lengthwise. Arrange the pear slices in a circle, pressing them into the cake dough. Start with one circle on the outside and then move on to the inside. I arranged the inner circle in the other direction for aesthetic reasons, though I doubt there’s a big difference in the end product. You may have to shift the outer circle a bit to fit in the inner one, depending on the size of the pie plate and the slices. When ready, pop into the oven for about 40 minutes, until a toothpick comes out clean of the cake center of the pie. The baking time may depend on your oven and on the juiciness of the pears. If it turns too dark, cover with some foil.

Let the pie cool on a rack, in its plate. Enjoy!